Niet met jezelf praten!

De kunst van het beleefd converseren gaat teloor. Dat is gevaarlijk, want als verschillen van mening niet meer gekanaliseerd worden, dreigt een verbale burgeroorlog.

Stephen Miller: Conversation. A History of a Declining Art. Yale University Press, 336 blz. € 27,–

In de zomer van 2004 lag de Amerikaanse vice-president Cheney zwaar onder vuur. Kritiek kreeg hij op de lucratieve wederopbouwcontracten in Irak die gegund waren aan de firma Halliburton, zijn voormalige werkgever. Een van de senatoren die hem het heftigst had aangevallen, moest dat in de senaatszaal bezuren. Zijn groet werd door Cheney beantwoord met een hartgrondig: ‘Go fuck yourself’. Aangesproken op zijn grove taalgebruik, antwoordde hij de volgende dag laconiek: ‘Ik drukte mezelf nogal sterk uit en voelde mezelf daarna een stuk beter.’

De Amerikaanse essayist Stephen Miller haalt in het voorwoord van zijn boek Conversation: A History of a Declining Art dat voorval aan als illustratie van de dreigende ondergang van het beleefde gesprek in de Verenigde Staten. Terecht ziet Miller daarin een gevaar voor de politieke en maatschappelijke cohesie. Een samenleving die haar meningsverschillen niet meer op ordentelijke wijze weet te kanaliseren, rest alleen nog een verbale burgeroorlog die maar al te gemakkelijk gewelddadig wordt.

Minder gelukkig is dat Miller, conform de heersende mode, de wortels van deze teloorgang allereerst zoekt in de vermaledijde jaren zestig en zeventig. In de tegencultuur die toen opkwam stond het woord immers niet langer in dienst van de omgang met de ander maar in die van de eigen ‘authentieke’ expressie, aldus Miller. Conversatie ging gelden als een burgerlijk onderdrukkingsmechaniek dat de echte persoon insnoerde in maatschappelijke hypocrisie.

De deugd van openhartigheid die lak had aan sociale conventies en gevoeligheden is inmiddels zozeer de norm geworden dat van de weeromstuit nu de tegenstanders van de ‘linkse kerk’ haar voornaamste erfgenamen zijn geworden. Cheney’s openhartigheid heeft hem geen kwaad gedaan bij veel Amerikanen voor wie – zo schrijft Miller – ‘woede een goede zaak is’. Waarover die woede gaat (en óf ze ergens over gaat) is naast deze blijk van authenticiteit niet alleen in Amerika van minder belang.

Dat het met de ironische erfenis van de jaren zestig minder eenvoudig ligt, blijkt echter uit de rest van Millers essay. Eigenlijk is de Amerikaanse cultuur nooit erg geneigd geweest tot beschaafde conversatie, zo laat hij een keur aan 19de-eeuwse bezoekers aan het land vaststellen. Het zakeninstinct is te sterk voor veel beleefdheid, zo stelt Frances Trollope in 1832 vast, en zowel Dickens als Tocqueville valt haar bij. Bovendien stond conversatie in de VS bij velen in de kwade reuk van onoprechtheid en bedrog. Thoreau beschouwde haar als op zijn best tijdverspilling, Melville beschreef haar als oplichterij en Whitman had meer op met onbeleefdheid.

Griekse oudheid

Lag het op het Europese moedercontinent anders? Zoals een Angelsaksische auteur betaamt, beperkt Miller zich voornamelijk tot een overzicht van de Britse conversatiegeschiedenis, met een uitstapje naar de Griekse oudheid die op de Britse eilanden nu eenmaal als voorbeeld gold. Toch kan het daaruit resulterende ‘essay over de conversatie in de westerse beschaving’ (!) niet voorkomen dat de Franse 18de-eeuwse saloncultuur voortdurend door dit Brits- Amerikaanse onderonsje heen schemert. Zij was immers maatgevend voor alles wat in die hoogtijdagen van het gesprek de toon aangaf. ‘In het dagelijks leven’, zo schreef David Hume, ‘hebben [de Fransen] tot op grote hoogte de nuttigste en aangenaamste kunst van alle tot perfectie gebracht, l’art de vivre, de kunst van gezelschap en conversatie.’

Eén van de belangrijkste oorzaken daarvan was de aanwezigheid van vrouwen in de salons, die ze gewoonlijk ook organiseerden en bestierden, terwijl dat aan de overzijde van het Kanaal nog lang niet vanzelfsprekend was. En zoals nu nog steeds het geval is, bestond er in Frankrijk een levendige uitwisseling tussen tussen de universitaire wereld en die van het maatschappelijk gesprek. Dat kwam beide ten goede, terwijl de geleerdheid, aldus nog steeds Hume, in Engeland ‘er veel bij verloren heeft te zijn opgesloten in Colleges en Cellen, afgesneden van de Wereld en goed Gezelschap’.

Dat laatste is ook vandaag de dag geen loze waarschuwing, nu de universiteiten in hun jacht op excellence en internationalisering vooral met elkaar in gesprek zijn, in plaats van met de samenlevingen waartoe zij behoren. Enigszins begrijpelijk is dat wel. Het Franse salongesprek floreerde vooral doordat het nooit helemaal serieus werd en spot erin gold als een belangrijke deugd, terwijl de wereld van de geleerdheid vooral leeft van de ernst. Om dezelfde reden bleef aan weerszijden van het Kanaal ook de politiek een onderwerp dat grote omzichtigheid vroeg. Begeestering vormde daarin eerder een bedreiging dan een stimulance, en het gevaar van ontsporing moest dan ook worden bezworen met een fikse dosis politesse en scherts.

De werkelijke ondergang van deze conversatiecultuur daagde dan ook pas toen de roep om authenticiteit en politiek radicalisme de ongeschreven regels daarvan ontmaskerde als even zovele vormen van onoprechtheid en frivoliteit. Rousseau was de woordvoerder van de eerste eis, Robespierre – die van vrouwen in het debat dan ook niets weten wilde – van de tweede. Hun monsterverbond maakte een einde aan dit hoogtij van maatschappelijke gesprekskunst, dat ook elders in Europa werd ingeruild tegen een romantische verheerlijking van het eigen innerlijk, de ongecensureerde uiting daarvan en – een bijna onvermijdelijk gevolg – de eenzaamheid. Wanneer Miller aan het slot van zijn boek een toekomst ziet dagen van mensen die nog slechts met zichzelf in gesprek zijn en taal minder opvatten als communicatie- dan als ontladingsmiddel, is het dan ook vooral deze romantische erfenis die hij te vrezen heeft.

IJzeren censuur

Ironisch genoeg is de doorwerking van de jaren zestig in dat opzicht veeleer dubbelzinnig. Zoals zij een nieuwe impuls gegeven heeft aan de romantische leer van de authentieke expressie, zo heeft ze immers ook precies het tegendeel daarvan leren omarmen. De ‘politieke correctheid’ maakt juist de ander tot absolute norm van het spreken, dat daarmee onder een ijzeren censuur komt te staan. Dit regime, dat iedere confrontatie vermijden wil, is veeleer de voortzetting van de 18de-eeuwse politesse, tegen de overdrijving waarvan ook toen al gewaarschuwd werd. Waar niet meer gespot en geprikkeld mag worden, is de conversatie even dood als daar waar alleen het innerlijk het nog uit mag schreeuwen.

Tussen beide uitersten in vormt de conversatie de kunst van de juiste maat. Haar teloorgang is een teken aan de wand van een cultuur die verdeeld dreigt te raken tussen absolute authenticiteit en al even absolute ‘correctheid’. Wanneer beide elkaar niet meer in bedwang houden, verdwijnt immers ook het relativeringsvermogen waarmee wij, in het gesprek met anderen, steeds opnieuw leren onderkennen dat zelfs onze dierbare overtuigingen betrekkelijker, minder vanzelfsprekend en misschien ook wel minder belangrijk zijn dan wij dachten. Bedreigd door onbesuisde columnisten, rappers, politieke neo-vromen en moorddadige censoren blijft de beschaafde, niet ál te zwaarwichtige conversatie een voorwaarde voor de maatschappelijke volksgezondheid.