Niet elk boek van een maniak is noodzakelijk

Er zijn lezers die het bestaan om het werk van de markies de Sade saai te vinden. Ik deel die mening niet, maar kan hem wel begrijpen. Het gevaar saai te worden gevonden bedreigt elke maniakale schrijver. Een maniak kan niet anders, een maniakaal schrijver moet schrijven. Dat klinkt als noodzaak. Wanneer de lezer een roman ‘noodzakelijk’ noemt, is dat een groot compliment. Maar niet alles wat een maniakaal schrijver schrijft is in die zin noodzakelijk. Een noodzakelijke roman dringt zich aan de lezer op als onontkoombaar, overweldigend. De maniakale schrijver kan niet anders. Daarom schrijft hij onophoudelijk en dus heel veel. Ik denk bijvoorbeeld aan Gerard Reve, aan Herman Brusselmans en aan Arnon Grunberg.

Wat zij daarnaast met elkaar delen is dat zij ieder over veel talent beschikken. De een wat meer, de ander wat minder, maar daar gaat het nu niet om. Dankzij hun talent schrijven zij soms boeken die niet van noodzakelijk te onderscheiden zijn: het hoogste wat er in de literatuur te bereiken valt. Helaas geldt dat niet voor alles wat zij schrijven of geschreven hebben. Bij een maniakale schrijver, ook met veel talent, kun je daarom gerust een paar boeken overslaan, al weet je nooit van tevoren welke.

Van Reve heb ik uiteindelijk bijna alles gelezen, van Brusselmans ongeveer de helft. Bij Grunberg vergeet ik wel eens een column en ik ben aan zijn laatste romans niet meer toegekomen – even genoeg gehad. Toch zal ik ze nog wel eens lezen. Grunberg is een schrijver die zich van zijn eigen maniakaliteit volledig bewust lijkt te zijn en die er iets aan tracht te doen. Niet door minder te schrijven, want dat kan een maniakaal schrijver niet, maar door andere wegen in te slaan. Dat maak ik op uit zijn poging om als ‘Marek van der Jagt’ tijdelijk aan ‘Arnon Grunberg’ (de aanhalingstekens zal ik hierna achterwege laten) te ontsnappen. Met succes, en de beide onder pseudoniem geschreven romans reken ik tot zijn beste. Bij Tirza krijg ik de indruk dat hij zijn twee schrijvende ego’s heeft gecombineerd (Marek van der Jagt meets Arnon Grunberg) om te zien wat dát oplevert.

Als Marek van der Jagt heeft Grunberg personages bedacht die net zo maniakaal zijn als hijzelf als schrijver, maar dan in het kwadraat. Hoeveel schepjes kun je er bovenop doen zonder alle geloofwaardigheid te verliezen? In Tirza wordt de oplossing gezocht in de alledaagse waanzin. De uit de hand lopende liefde van Jörgen Hofmeester voor zijn dochter heeft op zichzelf niets ongewoons. Maar daar valt niet zo makkelijk een boeiende, laat staan noodzakelijke roman over te schrijven. Dus heeft Grunberg van hem een neefje van François Lepeltier gemaakt, de totaal geschifte hoofdpersoon van Gstaad 95-98. Zijn alledaagsheid wordt dusdanig uitvergroot, dat deze monsterlijk wordt.

Zijn echtgenote dankt hem af als man, op zijn werk wordt hij overbodig verklaard, als vader negeert hij in maniakale ijver alles wat verstandig en betamelijk is: dat een vader via zijn kinderen revanche neemt op zijn eigen echec is de gewoonste zaak van de wereld, maar hier is het echec zo kolossaal dat de revanche alleen maar tot een groteske ramp kan leiden. Dat groteske wordt pas geleidelijk zichtbaar, en de spanning tussen het alledaagse en het groteske behoort tot het beste wat dit boek te bieden heeft. Wanneer Jörgen tenslotte in een onvervalst monster verandert, is dat zelfs een teleurstelling. Niet alleen omdat het (ondanks de flauwe maskering van de ware toedracht) niet als een verrassing komt, het heeft ook te maken met de morele boodschap van de roman, de belangrijkste bijdrage van Arnon Grunberg aan deze coproductie met Marek van der Jagt.

Die boodschap komt erop neer dat een mislukt, overbodig leven pas werkelijk tot leven komt, als het ‘beest’ in de mens ontwaakt. Daarvan getuigt Jörgen Hofmeester, de neurotische schlemiel die zich op het feestje van zijn dochter aan een van haar klasgenootjes vergrijpt, die zelfs met zijn na jaren teruggekeerde verlepte echtgenote nog wel een ‘spelletje’ wil spelen en die het ultieme bewijs van zijn vaderlijke liefde levert via een daad van incestueuze moorddadigheid. In de totale zinloosheid van zijn bestaan blijkt alleen de verblinding door de drift een teken van leven.

Waarom is dat zo? Omdat Arnon Grunberg dat zo bedacht heeft. Tirza illustreert de provocerende nihilistische moraal of liever anti-moraal, die hij dag in dag uit in zijn columns uitdraagt. (Maar in de schuld-en-boete-ontknoping met de kleine Kaisa in Namibië zit wel degelijk een ouderwets moralistisch element, net als bij Dostojevski, die in zijn boeken ook al zo van onschuldig- doortrapte meisjes hield). Dat geeft de roman iets demonstratiefs en eendimensionaals – het risico dat elke groteske loopt.

Daar staat tegenover dat Tirza veel beter in elkaar zit dan veel van zijn voorgangers, waar moeiteloos een paar hoofdstukken af of bij hadden gekund. Grunberg staat als schrijver niet stil. Ditmaal heeft hij zijn talent geconcentreerd op de compositie, als Marek van der Jagt had hij de plot al onder handen genomen, misschien kunnen de volgende keer psychologie en meerdimensionaliteit aan de beurt komen. Ooit schrijft deze maniakale schrijver een boek dat in elk opzicht noodzakelijk zal zijn.