Naziboek is dé Franse hit

Frankrijk is in de ban van de verpletterende oorlogsroman ‘Les bienveillantes’.

Het debuut staat bol van filmische, gruwelijke details. Maar is het ook literatuur?

Een pil van ruim 900 bladzijden beheerst dit jaar de opening van het Franse boekenseizoen. Les bienveillantes is de in het Frans geschreven debuutroman van de 39-jarige Amerikaan Jonathan Littell. Het boek won al de Grand Prix de l’Académie française en deze week de meest prestigieuze literaire prijs van Frankrijk, de Prix Goncourt. Littell komt de prijs niet ophalen in Parijs – uit schroom en omdat hij geen publiciteit wil.

Inderdaad is ‘De welwillenden’ een verpletterend boek, en niet alleen in omvang. De verteller, Dr Maximilian Aue, is een oud-nazi die zeer gedetailleerd weergeeft hoe zijn leven eruit zag tussen 1941 en 1944, aan het Oostfront, in Rusland, Polen, later in Parijs en Berlijn. Schuldgevoel? Nee. Wij hadden wij hetzelfde gedaan, betoogt Aue. Befehl ist Befehl en Krieg ist Krieg, nietwaar.

Littell schrijft zo gedetailleerd dat de verwerking tot een televisiefeuilleton weinig aanpassing zou vergen. Decor, personages, kleding, gezichtsuitdrukking – hij heeft het allemaal heel precies opgeschreven. Hoe het voelt om met soldatenlaarzen over lijken te lopen; hoe je een meisjeshand loslaat om het kind te laten fusilleren in een poel van bloed en drek. Alles is door Littell haarfijn, scherp, rauw, hard, gevoelloos en uitermate realistisch opgeschreven.

Claude Lanzmanns film Shoah heeft hem beïnvloed, net als de beelden van de Vietnamoorlog, die ook het werk van zijn vader, de spionageschrijver Robert Littell, hebben beïnvloed. Als werknemer van diverse niet-gouvernementele organisaties bezocht Littell ’s werelds brandhaarden: Afghanistan, Bosnië, Rwanda, China. In 2001 nam hij ontslag, vestigde zich met zijn gezin in Barcelona en begon aan zijn onderzoek. Hij reisde naar Stalingrad, Kiev en Charkov. Na drie jaar schreef hij zijn boek, naar eigen zeggen in vier maanden.

Een literair meesterwerk is Les bienveillantes niet. Littells taalgebruik is voor alles functioneel, bezeten, gericht op het doen voortjagen van het verhaal dat hij wil vertellen. Zijn Obersturmbannführer blijft een monster, hoe menselijk hij hem ook wil maken. Dat de man sinds zijn kindertijd een unieke, incestueuze liefde koestert voor zijn zus, dat hij worstelt met zijn homoseksualiteit maakt van hem nog geen geloofwaardige Duitse SS-er. Veel van zijn opmerkingen zijn oppervlakkig, zijn gedachten pseudo-intellectueel. Sommige scènes zijn kitscherig en sentimenteel dat de krokodillentranen ervan af druipen.

Storend is dat onduidelijk blijft wat feit is en wat tot het domein van de fictie behoort. Duidelijk is dat de auteur gedegen onderzoek heeft gedaan, maar op de omslag staat ‘roman’. Waarom deze realistische roman fleuve als er zoveel historisch materiaal voorhanden is? Welke diepere laag snijdt deze roman aan?

Daar schiet Jonathan Littell tekort, hoe verpletterend zijn roman ook is. Zijn overtuigingskracht zit in het verhaal, in de narratieve stijl en in de bezetenheid waarmee hij zijn onderwerp beheerst. Wat hij niet beheerst, is de kunst van de suggestie, van de onderhuidse implicatie, de kunst te zeggen wat onzegbaar is. Kortom, wat de roman werkelijk vermag.

Jonathan Littell: Les bienveillantes. Gallimard. 907 blz. € 25. De vertaling komt in 2006 uit bij De Arbeiderspers.