Naar de overtreffende trap van bling

Gautam Malkani: Londonstani. Fourth Estate, 343 blz. €22,75. De Nederlandse vertaling is verschenen bij Rothschild & Bach

Voordat Sacha Baron Cohen met Borat op de proppen kwam, was er Ali G, de homeboy uit Staines. Ali G – zwart? blank? ertussenin? – was wat onduidelijk over zijn culturele achtergrond, maar dat probeerde hij manhaftig te compenseren met zijn ‘gangsta’ houding. In Londonstani, de debuutroman van Gautam Malkani, houden de wannabe gangstas zich op in Hounslow, zo mogelijk een nog sneuere plaats dan Staines, vlakbij Heathrow. Behalve erg veel parkeerplaatsen is er niet zo veel in Hounslow, en er is al helemaal niets te doen voor de jonge desi’s (Aziaten afkomstig van het subcontinent) die er wonen. Wel zijn die parkeerplaatsen weer erg geschikt voor vechtpartijen, als een desi een gora (blanke) wat respect wil bijbrengen, of een van zijn eigen bredren bij de les moet houden.

Londonstani opent dan ook met zo’n vechtpartij, in technicolor detail. ‘Serve him right he got his muthafuckin face fuck’d, shudn’t b callin me a Paki, innit,’ zegt Hardjit, de plaatselijke harde jongen, voordat hij doorgaat met zijn aframmeling van Daniel, aangespoord door vrienden Amit, Ravi en de verteller, Jas. Jas, zo merken we al snel, heeft de rudeboy houding nog niet helemaal onder de knie. Een rudeboy of desi is niet alleen een afgetraind lichaam, designer kleren en zorgvuldig onderhouden gezichtsbeharing, maar ook vooral front – het juiste taalgebruik. ‘Wat we ook zijn, Ravi en de anderen zijn er beter in dan ik,’ denkt Jas. ‘Ik zweer dat ik net zoveel MTV Base- en Juggy D-video’s heb gezien als zij, maar ik kan nog altijd niet het juiste niveau van rudeboy finesse benaderen. Als ik het wel kon, zou ik geen verwijfde woorden als benaderen en finesse gebruiken. I’d be sayin I couldn’t keep it real or someshit.’

Jas is eigenlijk te intelligent voor zijn gangstavrienden – als dat niet zo was, dan had hij ook nooit de verteller kunnen zijn van de roman –, maar hij doet er alles aan om die intelligentie te onderdrukken. In Hounslow hangt je status en mannelijkheid immers af van je rudeboy-houding, en Jas doet er alles aan om niet buiten de boot te vallen.

Het spreekt vanzelf dat criminele activiteiten een belangrijk tijdverdrijf zijn voor de rudeboys. Aanvankelijk houden Hardjit en zijn kompanen het bij kleinschalige handel in gestolen mobieltjes. Dat verandert wanneer een vroegere leraar van de middelbare school ze voorstelt aan Sanjay, een ‘geslaagde’ ex-leerling die in Cambridge studeerde en nu in de city werkt. Sanjay is de overtreffende trap van bling, met zijn Porsche, hyperluxe appartement en peperdure maar understated kleding. Een goed voorbeeld, denkt de leraar, om ze op het juiste pad te brengen. Sanjay blijkt echter een niet-helemaal-legaal zakelijk voorstel te hebben dat de vier niet kunnen afslaan. Al snel zwemmen ze in het geld, en zijn ze tot over hun oren betrokken bij een internationale zwendel waarvan ze de omvang absoluut niet kunnen overzien.

De criminele plot van de roman is in feite bijzaak, en een vehikel om de even homofobe als onderhuids homo-erotische machocultuur van de desi’s neer te zetten, en Jas’ worsteling om zich daarbinnen staande te houden. Deze blik op een weinig bekende subcultuur is vermoedelijk de reden dat Malkani, een journalist voor de Financial Times, een voorschot kreeg van zo’n 300.000 pond.

Geestig is ook Malkani’s beschrijving van de stammenmentaliteit van de jongens: ‘Sikh bredren’re always accusing Muslim guys a tryin to convert their Sikh sisters. Seems that they even got a proper word for it: sistering.’ De jongens zijn uiteraard veel religieuzer dan hun ouders. Maar het is gevaarlijk om hier de waarde van het boek aan op te hangen. Zoals criticus Sarfraz Manzoor schreef in The Guardian: ‘Als je blank en middle-class bent, mag je blijkbaar een artiest zijn; als je Aziatisch bent, moet je authentiek zijn.’ Gelukkig kan Malkani wel degelijk schrijven, en is taal ook zijn belangrijkste middel om Jas’ worsteling met identiteit vorm te geven. Dat neemt niet weg dat het jargon af en toe wat vermoeiend kan werken, ondanks een verrassende draai aan het eind die er een heel nieuwe blik op werpt. Doordat Jas zich een oppervlakkige rol aanmeet, worden zijn beschrijvingen ook oppervlakkig. Maar dan, Londonstani is in de eerste plaats een boek over zelfverloochening, en de spanning in het verhaal ontstaat wanneer Jas’ intelligentere zelf door die oppervlakkigheid heen breekt. Al met al een interessante eerste poging van een veelbelovende schrijver.