Na Donald Rumsfeld

De eerste echte oorlog van de 21ste eeuw heeft in Amerika zijn eerste politieke slachtoffer op topniveau geëist. Donald Rumsfeld, zes jaar lang minister van Defensie, moet het veld ruimen. Het zijn niet de misstanden in Abu Ghraib of Guantánamo Bay waarvoor hij moet opstappen, maar uitslagen van tussentijdse verkiezingen. Het Amerikaanse electoraat heeft duidelijk gemaakt dat het een ander Irak-beleid wenst. Rumsfelds vertrek komt te laat – hetgeen president Bush te verwijten valt. Tot nu toe ontbrak echter de politieke noodzaak. Bush en de zijnen zaten immers jarenlang op rozen met hun maximale mandaat voor Irak. Maar Rumsfeld faalde. Door zijn oorlogsstrategie belandde de natie in een nieuw Vietnam. Zijn opvolger moet nu het puin ruimen.

Rumsfeld was in naam verantwoordelijk voor de succesvolle campagne tegen het Talibaan-bewind in Afghanistan, die overigens aanvankelijk door de concurrerende CIA werd uitgevoerd. Hij was ook de man die bedacht dat een invasie van Irak mogelijk moest zijn met een relatief gering aantal militairen. Zijn kortstondige gelijk – de intocht verliep vrijwel vlekkeloos – werd tenietgedaan door het rampzalige vervolg. De coalitietroepen liepen vast in een burgeroorlog met onberekenbare afloop. Rumsfeld, die onlangs veel kritiek te verwerken kreeg, haalde in een afscheidstoespraakje Winston Churchill aan. („Ik heb enorm voordeel getrokken uit kritiek, en op geen enkel punt leed ik onder enig waarneembaar gebrek daaraan.”) Churchill won oorlogen. Dat kan van Rumsfeld nog niet worden gezegd.

De bewindsman noemde woensdag de oorlog in Irak „onbegrepen”. Alsof niet volstrekt helder is dat de VS zich daar in een wespennest hebben gestoken. Door alles wat eraan voorafging – het schofferen van de internationale gemeenschap bijvoorbeeld – sprong Washington lichtzinnig om met de voorbeeldrol van de VS in de wereld. Rumsfeld volgde de doctrine dat men met een groot net moet vissen om terreur te bestrijden. Hij zei daarover in juni 2002: „We weten wat we weten, we weten wat we niet weten en dan zijn er nog de zaken waarvan we niet weten dat we ze niet weten.” Toegepast op de militaire praktijk betekent dit dat de vijand overal kan zitten, en overal en met alle middelen dient te worden bestreden. Hij, Bush en vice-president Cheney hebben de ‘oorlog tegen het terrorisme’, waarvan velen dachten dat het slechts beeldspraak was, letterlijk genomen: alomvattend en grensverleggend. De prijs bleek hoog.

Rumsfelds opvolger Robert Gates noch de zegevierende Democraten hebben een simpele oplossing voor Irak. Er komt een beleidswijziging – dat staat vrijwel vast. Gates was lid van de studiegroep over Irak onder leiding van oud-minister Baker. Die rapporteert binnenkort aan Bush over hoe het verder moet. Wat de komende tijd in Washington over Irak en Afghanistan wordt besloten, is bepalend voor de toekomst van deze landen en hun regio’s. Nederland, militair actief in beide landen, dient rekening te houden met verandering van koers.