Klifhanger 12

Wat vooraf ging: Katja en Tjalling zijn, op zoek naar de verdwenen vriend van Katja, verzeild geraakt in een groen-blauwe, ondergrondse wereld. Daar hebben ze een man ontmoet die hen meevoert.

We kwamen bij het huis. Ervoor was een terras met een zwembad en een paar palmbomen. Naast dat zwembad stonden twee vrouwen. Dunne vrouwen met lange benen en golvend haar tot op hun billen. Ik dacht dat we in een filmstudio terecht waren gekomen.

„Hoe heet het hier?” vroeg ik.

De man die voor ons uitliep, stond nu stil. „Gek”, zei hij. „Daar heb ik nou nog nooit over nagedacht.”

„Wat een leeghoofd”, fluisterde ik tegen Katja. Maar Katja reageerde niet. Wazig, met een verheerlijkte glimlach, keek ze om zich heen.

Toen waren we op het terras.

„Dag lieve Kennie!” zei één van de vrouwen, tegen die man. Ze omhelsden elkaar heel overdreven, zoals ik het mijn ouders nooit heb zien doen.

„Wie heb jij meegebracht?” vroeg de vrouw.

„Ik ben Katja, mevrouw”, zei Katja, en ze grijnsde breed.

„Mevrouw?” zei de dame giechelend. „Zeg maar Babs. Wat een enig tasje heb je daar bij je...”

„En ik ben Tjalling”, zei ik, maar ik geloof dat niemand dat hoorde. Zeker Katja niet, die stond alleen maar te giebelen met een hoofd als een tomaat. Ik stootte haar aan.

„Zeg”, zei ik, „wij waren toch op zoek naar Sebastiaan?”

Katja keek me even aan met een blik die ik niet leuk vond. Alsof ik haar ontzettend stoorde.

„We gaan barbecueën!” zei Ken op dat moment. „Alles is net klaar!”

Ik merkte opeens dat ik honger had. Mijn maag knorde. Naast me stond die tweede vrouw, die zich nog maar nauwelijks had bewogen.

„Wat is dát nou voor geluid?” vroeg ze verbaasd.

„Honger”, zei ik, m’n schouders ophalend. Maar nu viel me op dat ik niks rook! Geen houtskool, bedoel ik, of geroosterd vlees of zoiets. Alleen maar nog steeds die vage toiletspray-achtige geur, die er al was toen we hier binnenvielen.

Ik keek naar de barbecue, waar Ken net een rare, stijve biefstuk omdraaide. Die barbecue walmde niet. En nu zag ik ook dat niemand, behalve ik, zweette! Al die gladde, lange mensen stonden onverstoorbaar te stralen en te glanzen in de zon. „Die biefstuk lijkt wel nep”, zei ik verbaasd.

Iedereen keek ineens in mijn richting.

„Shhht!” zei Babs. „Dat soort dingen zeggen wij hier niet.”

„Hier is je eten”, zei Ken, weer met zo'n opgewekte tandpastaglimlach.

Ik kreeg een bordje aangereikt. En daarop lag een karbonade, en die was inderdaad van plastic.

„Eten jullie hier niet?” vroeg ik teleurgesteld. „Of is dit dan toch een film of zo?”

„Eten?” vroeg Babs.

„Eten, ja!” zei ik. „Gewoon! Voedsel naar binnen stouwen! En daarna weer uitkakken...”

„O!” zei de vrouw die naast me stond, en ze sloeg een hand voor haar mond. Ik voelde nu een sterke aandrang tot iets. Dat kwam omdat ik erover praatte.

„Sorry”, zei ik. „Effe pissen. Dat is erg nodig...” En ik liep naar één van die gladde palmbomen.

(wordt vervolgd)