Kijk om, iedereen is schuldig

In de romans van Willem G. van Maanen huizen geheimen. Maar zijn nieuwste is wel zeer dubbelzinnig. ‘Gedaanteverandering is de grondslag van alle verhalen.’

Willem G. van Maanen: Heb lief en zie niet om.De Bezige Bij, 207 blz. € 19,90

De uitdrukking ‘Doe wel en zie niet om’ betekent in modern Nederlands: doe het goede zonder daar een beloning voor te verwachten. Oorspronkelijk werd er echter mee bedoeld dat iemand die wél doet, niet bang hoeft te zijn later akelige gevolgen van zijn daden te ondervinden. In Willem G. van Maanens nieuwste roman wordt de uitdrukking die hij in de titel heeft verbasterd tot Heb lief en zie niet om in beide betekenissen gebruikt.

In het eerste deel van dit tijdens de Tweede Wereldoorlog spelende verhaal zegt Sarah, de joodse geliefde van de ikfiguur, dat ze het onderscheid tussen goed en kwaad niet erkent, ook niet in de liefde. ‘Heb lief, dat is het enige, denk er niet bij na, heb lief zo hard, zo diep, zo intens als je kunt, houd er anders mee op.’ Onbaatzuchtig liefhebben, of niet liefhebben – that’s the question.

Maar zo eenvoudig is het niet, zal hij spoedig ontdekken. Zeker niet als er in de liefde complicaties optreden en als er morele keuzes moeten worden gemaakt. De ‘ik’ is 24 als de oorlog uitbreekt. Bij het Amsterdamse toneelgezelschap waarvan hij als acteur deel uitmaakt worden al spoedig twee joodse collega’s de laan uitgestuurd. Spelen of niet spelen – is dan de vraag. Hij doet het eerste. Sterker: hij meldt zich bij de Kultuurkamer, tekent de Ariërverklaring en moet daarvoor de prijs betalen. Zijn vrouw Sarah kiest voor haar minnaar, een Duitse schrijver die in het verzet zit, terwijl hij als collaborateur na de oorlog een tijdelijk speelverbod krijgt opgelegd. Hij dankt vervolgens zichzelf af als acteur en wordt ‘verteller’, speler van monologen, waarvan de eerste hem wordt aangereikt door zijn joodse buurvrouw Judith, een spiegelbeeldige Sarah.

Judiths adoptiezoon Sal is op 10 mei 1940 voor zijn voordeur doodgeschoten met kogels die voor haar bedoeld waren. Ter nagedachtenis aan deze op achtjarige leeftijd gestorven jongen schrijft Judith een verhaal dat in het tweede deel van Heb lief en zie niet om wordt voorgedragen door de ‘foute’ acteur uit het eerste deel. In deze monoloog heeft Sal de oorlog overleefd als onderduiker in een nonnenklooster. Omdat zijn verleden hem in de weg zit reconstrueert hij veertig jaar na dato samen met een journaliste hoe hij heeft kunnen overleven en tegen welke prijs. Sal lijdt aan dezelfde kwaal als de acteur die hem gestalte moet geven: hij ziet altijd om, kan het verleden niet vergeten wat hem verhindert van het ogenblik te genieten. ‘Waarom zocht ik het (verleden), als het me toch verbood tevreden met mezelf te zijn, me gelukkig te voelen en, belangrijker, anderen gelukkig te maken?’

De monoloog, een onwaarschijnlijke ‘if-history’, waarin commentaar wordt geleverd op het realistische eerste deel van de roman, kreeg van Van Maanen een motto mee uit Harry Mulisch’ toneelroman Hoogste tijd: ‘Men hoeft niet te weten wat men is om het te zijn’. Dit slaat zowel op de rollen die acteurs spelen, maar in Heb lief en zie niet om ook op de vraag wat het betekent om joods te zijn. Voor Sarah betekent het niets – zij wil liever als vrouw dan als jodin worden bekeken. Ook de fictieve Sal, die niet eens joods blijkt te zijn, hecht geen waarde aan zijn vermeende joodse ‘identiteit’, hoewel die wél zijn leven heeft bepaald.

Zowel Sarah als Sal menen dat hun identiteit door iets anders wordt gevormd dan hun joodse herkomst, maar door wat? ‘Ik heb geen persoonlijkheid’, denkt Sarah, ‘geen middelpunt, geen kern, nu ja , het jood zijn maar dat leeft toch niet, het is versteend, een fossiel, een grafzerk.’ Haar collaborerende geliefde, net als Sal weliswaar besneden maar geen jood, heeft zelfs geen fossiel waaraan hij een identiteit zou kunnen ontlenen. ‘Een man zonder principes’, dat was ik. Goed en kwaad hadden vrij spel met me (...).’

Denk niet dat Willem van Maanen (1920) het zoveelste moralistische boek over goed en fout tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft geschreven. Moraliseren heeft deze 86-jarige gedurende zijn lange schrijverschap nog nooit gedaan, maar hij weigert ook begrippen als goed en kwaad te relativeren. In veel van zijn verhalen en romans, ook weer in deze, klinkt ontgoocheling door over het feit dat zoveel mensen het tijdens de oorlog lieten afweten. In Helse steen (1970) verraadt het jongetje Bruno uit verregaande onnozelheid een joodse onderduiker aan een Duitser. In Heb lief en zie niet om krijgt de Nederlandse theaterwereld er van langs, die zich massaal meldde voor de Kultuurkamer en – op enkele uitzonderingen na – lustig bleef doorspelen toen in 1941 de joodse collega’s een speelverbod kregen opgelegd. Sommigen van hen, zoals steractrice Ank van der Moer, worden herkenbaar opgevoerd, artiesten die uit protest weigerden door te spelen, zoals Fien de la Mar, krijgen andere namen of zijn over verschillende personages verdeeld.

Helden maakt Van Maanen niet van deze principiële mensen. Op het moment dat er wordt ‘omgekeken’ naar de daden van zijn personages, blijkt iedereen schuldig te zijn. Het is een terugkerend thema in Van Maanens werk: wie overleeft doet dat altijd ten koste van anderen en niets is, bij nader inzien, zo eenduidig als het lijkt. Meerduidigheid bestaat alleen bij de gratie van fictie, waarin het onderscheid tussen schijn en wezen is opgeheven, zoals in het tweede deel van Heb lief en zie niet om. De afgedankte acteur valt daarin samen met het personage dat hij speelt. Hij kruipt niet in Sals huid, hij wórdt Sal; al lijkt hij dat aanvankelijk zelf niet te weten.

De monoloog van Sal is opgeschreven als een droom, met surrealistische landschappen en onwerkelijke personages. Alleen via deze droom, waarin veel van wat hem in de eerste romanhelft bezighield in andere vormen terugkeert, is de verteller bij machte om zijn verhaal te vertellen en, zoals hij zelf zegt, ‘het onuitsprekelijke’ te verwoorden. ‘Gedaanteverandering’, laat Van Maanen hem met een niet toevallige verwijzing naar Kafka’s Die Verwandlung zeggen, ‘is de grondslag van alle verhalen’. De onuitsprekelijke waarheid die er in dit verhaal verborgen zit moet de lezer van Heb lief en zie niet om zélf creëren en wel door de daarin opgediende droom te duiden. Dan blijkt dit ingenieuze romantweeluik niet in de eerste plaats over morele keuzes te gaan, maar vooral over onbewuste drijfveren als incestueuze passies en een verlangen naar paradijselijke onschuld.

Door het droomgedeelte, de monoloog van Sal, te analyseren krijg je als lezer greep op de alledaagse werkelijkheid van de acteur die in het realistische eerste deel van de roman aan bod komt. Personages waarvan de functie in die eerste helft onduidelijk is, winnen in de vermomming van droomgestalten aan betekenis. Maar wat de twee delen vooral met elkaar verbindt is de welluidende, krachtige taal waarin Van Maanen zijn verteller zowel diens echte als gedroomde werkelijkheid laat uitbeelden. Zonder ook maar één keer gebruik te maken van dialogen of gekunstelde one-liners, hakken zijn melodieus klinkende zinnen erin als de clausen in onsterfelijke toneelstukken (of dichtregels) waar hij, al dan niet met bronvermelding, naar verwijst.

Willem G. van Maanens romans geven hun geheimen nooit gemakkelijk prijs. Ook dit razend knappe, extreem dubbelzinnige maar daarom juist tot de verbeelding sprekende gedroomde oorlogsboek doet dat niet. Om het te doorgronden dient er veelvuldig en liefdevol naar te worden omgekeken.