Khalid de Harde

Een invaller die na 22 minuten alweer moet plaatsmaken voor de volgende invaller: het lijkt een nachtmerrie. Reservespelers hollen fris het veld op met de ambitie de gang van zaken te verbeteren, zichzelf te bewijzen. Niet om korte tijd later als een speeltuigje terug in de hoek te worden geslingerd. Een lichte huivering ging dan ook langs de rijen toen Khalid Boulahrouz afgelopen weekeinde hoofdpersoon werd in precies dat scenario. Een helft lang zat hij op de reservebank van Chelsea, vlak na rust mocht hij invallen en even later stond hij onder de douche, omdat de coach zijn gestuntel niet langer kon aanzien.

De maandag daarop dook in alle commentaren hetzelfde woord op. Schlemiel.

Ik huiverde niet. Ik dacht aan Katwijk, oktober 2005. Khalid Boulahrouz en Denny Landzaat trapten na een Oranje-training balletjes naar elkaar over, vrij lang en heel gemeen. De bedoeling was dat je een half hoog aangespeelde bal opving, hem even in de lucht hield en hem dan weer half hoog, liefst met een flinke draai, naar de ander terugspeelde over een afstand van pakweg dertig meter. Zag er lastig uit.

De technisch verfijnde middenvelder Landzaat kon het uiteraard veel beter dan de stoere back Boulahrouz. Landzaat begroette de bal met zijn borst, dijbeen, hak, waar en hoe hij maar wilde, hij lachte erbij, terwijl de bal bij Bouhla regelmatig op de grond stuitte. Kijk, toen huiverde ík.

Enkele dagen tevoren was Bouhla lelijk door het ijs gezakt, zoals dat heet. In Praag had de Tsjech Milan Baros hem er als een oude stijve man laten uitzien. Ineens leek het alsof de loftuitingen die Bouhla sinds zijn debuut in februari ten deel waren gevallen, voorbarig waren geweest. Hij was helemaal niet zo goed als we dachten! Maar voor Landzaat was Bouhla’s depressie niet de minste reden voor morele steun. Wie bij dat spelletje als eerste tien keer in de fout was gegaan, had verloren, en reken maar niet dat de arme Bouhla bij twijfelgevallen zijn zin kreeg. Integendeel, telkens als hij vloekend en zuchtend zijn meerdere in Landzaat moest erkennen, volgden sardonische kreetjes. Na zijn eclatante zege liep Landzaat juichend het veld af, Bouhla met gebogen hoofd.

Landzaat is geen sadist, voor zover ik weet. Het was voetbalhumor en, nog belangrijker, Landzaat kende de metaalsoort waaruit het hart van Bouhlarouz is samengesteld. Staal. Dat weet Chelsea-trainer José Mourinho natuurlijk ook. Bouhla is geen schlemiel, kan niet, Bouhla komt er altijd weer bovenop. Hij speelt wisselvalllig, dat wel. De ene keer Ronaldinho glorieus uitschakelen, de andere keer door hem in de luren worden gelegd, zo is Bouhla. Maar je mag hem best een keer in de hoek slingeren. Het roestvrij stalen hart uit Maassluis klopt rustig door.