Huh, een Marokkaan met succes?

De Franse wetenschapster Dominique Caubet schreef een boek over jonge Nederlandse kunstenaars van Marokkaanse afkomst. Gisteren werd het in Amsterdam gepresenteerd.

In elk interview is het raak. Nagenoeg altijd krijgen schrijvers als Hafid Bouazza, Abdelkader Benali en Said El Hadji, acteurs als Mimoun Oaissa en Maryam Hassouni (van Dunya en Desi), schilder Rachid Ben Ali en rapper Ali B. de vraag wat en wie zij zich nou eigenlijk voelen. Nederlander of Marokkaan?

Toch was er een Française voor nodig om de kunstenaars te interviewen en er een boek van te maken. Veertien interviews bundelde de Franse hoogleraar Maghrebijns-Arabisch Dominique Caubet in Shouf Shouf Hollanda. De bundel werd gisteren gepresenteerd in Maison Descartes in Amsterdam.

Het boek is een paradox, erkende Abdelkader Benali, die deelnam aan de discussie. De kunstenaars werden bijeen geplaatst op grond van hun Marokkaanse afkomst terwijl de schrijfster juist wil benadrukken hoe Nederlands zij zijn. Éen of twee kunstenaars, vertelde Caubet na afloop, weigerden dan ook hun medewerking.

De schrijvers Benali en El Hadji, benadrukten het belang van het boek voor hun bekendheid in Marokko. Benali: „In Tanger en Casablanca waren mensen verbijsterd. Dat in Nederland succesvolle Marokkaanse kunstenaars wonen, met ouders uit het Rifgebergte? Dat was echt een eye opener.”

Dominique Caubet weidde uit over het succes, de flair en de buitenproportionele hoeveelheid talent van Nederlands-Marokkaanse kunstenaars. De idylle veranderde even in een mijnenveld toen presentatrice Margot Dijkgraaf de schilder Rachid ben Ali vergat te noemen en deze luid scheldend de zaal verliet. „Zo maakt de Nederlandse samenleving deze mensen nou!” reageerde een vrouw, wat weer luid protest van anderen uitlokte.

Gelukkig bood de forumdiscussie wel opmerkelijk en soms verassend inzicht in dat glibberige thema: identiteit. Misschien, zo suggereerde Benali bijvoorbeeld, had de geldingsdrang van jonge Marokkaans-Nederlandse kunstenaars niet zozeer iets te maken met het vaderland van hun ouders, als wel met het feit dat ze allemaal uit de arbeidersklasse komen. Of met de grote gezinnen. „Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik me moest bewijzen tegenover Nederlanders,” zei El Hadji. Maar mijn vier bróers! Díe moet en zal ik verslaan!” „Turken zijn over het algemeen veel braver dan Marokkanen,” zei Benali. „Maar laten we niet vergeten dat het misschien dezelfde onaangepastheid is, die zorgt dat er uit de Marokkaanse gemeenschap zowel probleemgevallen als kunstenaars voortkomen. Ik hoop toch dat de vierde generatie niet verTurkt.”

Ontdekte Dominique Caubet ook iets gemeenschappelijk in het werk van de kunstenaars die zij sprak? „Hun zelfspot,” zei ze na afloop. „En de volwassen manier waarop ze het clichébeeld van Marokko vernietigen.”

„Pas sinds ik over de oorlog in Libanon geschreven heb,” zei Abdelkader Benali eerder bedachtzaam, „ben ik de standaardvraag over mijn afkomst voorbij. Nu ben ik niet meer ‘die Marokkaan’ of ‘die Marokkaans-Nederlandse schrijver’. Nu ben ik die schrijver die in Libanon gezeten heeft, en daar zijn thema heeft gevonden.”

Dominique Caubet, Shouf Shouf Hollanda. Uitgeverij De Geus, 6,99 Euro