Hongaren vertrouwen hun politieke leiders niet meer

In Hongarije is sprake van een „vertrouwenscrisis” in de politiek: nog nooit sinds de invoering van de democratie in 1989 is het vertrouwen van de Hongaren in hun politieke leiders zo laag geweest als nu.

Dat concludeerde gisteren de krant Népszabadság op basis van een opiniepeiling waarin het vertrouwen in ‘s lands politici wordt gemeten. Die peiling wordt elke maand gehouden. De ondervaagden kunnen op een schaal van 0 tot 100 hun waardering voor politici aangeven.

Op de lijst van deze maand scoort de nummer één, president László Sólyom, het hoogst: 53 punten. Nooit eerder scoorde in de maandelijke peilingen de nummer één zo laag, zo tekent Népszabadság aan.

Ook is het gemiddelde waarderingscijfer voor de 22 belangrijkste Hongaarse politici nooit zo laag geweest: 40 punten, tegen 46 een jaar geleden en 48 twee jaar geleden.

Verder is volgens de socialistische krant sprake van een daling van de populariteit van leiders bij hun eigen achterban: de aanhangers van de diverse politieke partijen vertrouwen hun eigen partijleiders steeds minder. Dat geldt voor alle politieke partijen.

De vertrouwenscrisis hangt samen met de extreme polarisatie in de Hongaarse politiek. Die is bijna totaal geworden sinds in september een bandopname uitlekte waarop premier Ferenc Gyurcsány toegaf de buitenwereld jarenlang stelselmatig te hebben voorgelogen en waarin hij zei dat zijn socialisten vier jaar lang geen enkel belangrijk regeringsbesluit hebben genomen. „We hebben de boel verkloot.” De oppositie heeft sindsdien wekenlang elke dag betoogd voor zijn aftreden. Links en rechts praten niet meer met elkaar, en schelden elkaar uit als ze óver elkaar praten. Gisteren bijvoorbeeld werd oppositieleider Viktor Orbán door een links-liberaal uitgemaakt voor landverrader omdat hij het buitenland heeft opgeroepen niet langer samen te werken met „de liegende regering”.

Dat president Sólyom de waarderingslijst aanvoert, heeft wellicht te maken met het feit dat hij duidelijk boven de politieke partijen staat. Hij is ook de enige prominente buitenstaander geweest die erop heeft gewezen dat Gyurcsány met zijn uitlatingen de democratie heeft ondermijnd.

Op de lijst wordt de president gevolgd door drie vrouwen, Katalin Szili, parlementsvoorzitter (49 punten), minister van Buitenlandse Zaken Kinga Göncz (49) en Ibolya Dávid van de oppositiepartij MDF (48). Oppositieleider Viktor Orbán staat met 45 punten vijfde. De liberale burgemeester van Boedapest, Gábor Demszky. staat tiende met 41 punten. Premier Gyurcsány is met 36 punten afgezakt naar de zeventiende plaats.