Het betere hak- en stucwerk

P.M. Fischer: Ignatius en Jan van Logteren. Beeldhouwers en stuckunstenaars in het Amsterdam van de 18de eeuw. Bezorgd door E. Munnig Schmidt, Canaletto, 552 blz, € 65.–

Wie langs de gevels omhoog kijkt, of door deuren en ramen gluurt naar de interieurs van statige panden binnen de Amsterdamse grachtengordel, kan hoogtepunten zien van 18de-eeuws beeldhouwwerk en stucdecoratie. Grote kans dat de wolkende zandstenen geveltoppen of gipsen reliëfs aan wanden, plafonds en trappenhuizen, van de hand zijn van Ignatius of Jan van Logteren. Dat beeld rijst op uit de monumentale studie die de kunsthistoricus Pieter Fischer heeft gewijd aan het werk van deze kunstenaars: het monumentale boek behandelt uitputtend alle adressen aan de grachten van hun geboortestad waar zij hebben gewerkt.

Ignatius (1685-1732) is vooral beroemd geworden om zijn tuinbeelden. Aanvankelijk werkte hij in de trant van de Fransman Daniel Marot, de hofarchitect van koning-stadhouder Willem III. Maar na diens dood in 1702 boorde hij een nieuwe markt aan van stadspatriciërs die de tuinen van hun buitenverblijven wilden laten decoreren. Van Logteren groeide in de eerste decennia van de 18de eeuw uit tot een toonaangevende beeldhouwer. Zijn zoon Jan (1709-1745), die al op jonge leeftijd zijn vader bijstond, zou zich ontwikkelen tot succesvol leverancier van luchtig stucwerk dat zich kenmerkt door een levendige afwisseling tussen hoog en laag reliëf. De Van Logterens kwamen ermee tegemoet aan een kortstondige Hollandse belangstelling voor een frivool decoratief classicisme, geïnspireerd op Italiaanse voorbeelden en, vanaf 1690, ook op de Franse Lodewijk XIV- en rococostijlen.

Samen werkten de Van Logterens aan omvangrijke decoraties zoals het interieur van Herengracht 168, het huidige Theaterinstituut. Maar ook voorzagen zij elegante buitenplaatsen aan Amstel en Vecht van beelden en reliëfs. Huis Oostermeer in Ouderkerk aan de Amstel, bijvoorbeeld, is door hen gedecoreerd van het toegangshek en de ingangspartij tot de spiegels en de pronkkasten van het interieur. De latere eigenaar, kunsthandelaar Jacques Goud- stikker, maakte Oostermeer in de jaren dertig van de vorige eeuw tot een waar Van Logterenmuseum door sculpturen afkomstig van villa Meer-en-Berg te Heemstede in de tuin te plaatsen. Het magnum opus van Jan is de spectaculaire decoratie van het trappenhuis van Herengracht 475, met schijnarchitectuur van stuc, mythologische voorstellingen en helemaal bovenin een balustrade waarachter zo’n vijftien muzikanten in hoogreliëf concerteren op slag-, snaar- en blaasinstrumenten.

De kloeke monografie is het resultaat van de veertigjarige studie van Fischer naar het werk van de Van Logterens en de beeldhouwkunst in het 18de-eeuwse Holland. Met het manuscript zo goed als voltooid, overleed de auteur in 2002 op 81-jarige leeftijd. De grote verdienste van deze studie bestaat uit Fischers minutieuze behandeling van leven en werk van de Van Logterens, met nieuwe toeschrijvingen, nieuw ontdekt archiefmateriaal en informatie over de vele decoraties die inmiddels verloren zijn gegaan. Bovendien wordt voor het eerst het oeuvre beschreven van de tot dusverre onbekende, maar destijds zeer productieve steenhouwer Anthonie Turck, een zwager van Ignatius van Logteren. Het enige bezwaar tegen het boek komt voort uit het respect waarmee de auteur is bejegend. Diens wijdlopige stijl en ouderwets-inventariserende aanpak is kennelijk zonder veel wijzigingen overgenomen. Dat hindert de lectuur van dit waardevolle, en prachtig geïllustreerde standaardwerk.