Foute oorlog, geen fout proces

Veel commentatoren betreuren het feit dat Saddam Hussein niet is veroordeeld door een internationaal hof.

Maar dat betekent niet dat het proces niet heeft gedeugd.

Er is zonder meer veel aan te merken op het proces tegen Saddam Hussein. Op de status van de rechtbank zelf, het recht dat de rechtbank toepast, de omstandigheden waaronder moet worden geopereerd, de waarborgen voor een eerlijke procesgang, tot en met het opleggen van de doodstraf.

Dat de bezettingsautoriteiten in eerste instantie de Speciale Rechtbank hebben opgericht en dat zijn veroordeling enkele dagen voor de Amerikaanse ‘mid-term’ verkiezingen werd bekendgemaakt, toont volgens diverse commentaren aan dat de VS het proces van begin tot einde hebben geregisseerd. Waarnemers weerspreken dit overigens. Anderen wijzen er op dat Saddam tot de invasie en annexatie van Koeweit de grote favoriet was in de Arabische wereld van het Westen, de VS (Rumsfeld!) voorop, maar dat de levering van wapens en grondstoffen voor Iraakse chemische wapens door datzelfde Westen zorgvuldig buiten de rechtszaal wordt gehouden.

Dat de invasie in 2003 illegaal was, dat sindsdien excessen als Abu Ghraib hebben plaatsgevonden en dat nu in Irak een burgeroorlog woedt, betekent echter niet dat daarom per definitie ook het proces tegen Saddam niet kan deugen – en dat is toch wat in veel reacties doorklinkt. Veel commentatoren betreuren het dat Saddam niet door een internationaal hof is veroordeeld. Want het lijkt onbetwist dat hij ook dán zou zijn veroordeeld op basis van het geleverde bewijs – zoals door hem persoonlijk ondertekende executieorders – ondanks de aanname dat een internationaal hof onpartijdig(-er) zou zijn geweest.

Vanzelfsprekend heeft ook het vonnis veel losgemaakt. Terecht wordt benadrukt dat de doodstraf in grote delen van de wereld is – en in toenemende mate wordt – afgeschaft. Ook het Joegoslavië Tribunaal, het Rwanda Tribunaal en het Internationaal Strafhof mogen geen doodstraf opleggen. Het Finse voorzitterschap van de Europese Unie heeft er goed aan gedaan onmiddellijk te benadrukken dat de EU de doodstraf als wreed en inhumaan categorisch verwerpt. Het is goed verdedigbaar dat zich een internationale consensus, zelfs een regel van internationaal gewoonterecht, ontwikkelt die de doodstraf afwijst. Maar zover is het nog niet. Er zijn nog veel landen die de straf kennen en dat is (nog) niet verboden onder internationaal recht.

Wat minder wordt benadrukt zijn enkele toch wel opmerkelijke aspecten van het proces tegen Saddam. Het had plaats in Irak zelf en niet in een ver buitenland; alle rechters waren Irakezen; het recht van Irak werd toegepast (ook al zijn enkele internationale misdrijven, zoals misdaden tegen de menselijkheid, na de val van Saddam geïntroduceerd in het Iraakse recht) en het was op de Iraakse televisie te volgen. Ook zijn niet alle aangeklaagden tot dezelfde straf veroordeeld: er was zelfs een vrijspraak.

Kortom: het proces heeft weliswaar niet voldaan aan de moderne maatstaven die wij hier hanteren, maar het was in de gegeven moeilijke omstandigheden relatief transparant en consistent. En het draagt zonder meer bij aan de toe te juichen ontwikkeling dat misdadige, genocidale, politici tegenwoordig niet meer vrijuit gaan.

Olivier Ribbelink is verbonden aan het T.M.C. Asser Instituut voor internationaal recht in Den Haag.