Even balanceerde Kirgizië op rand van burgeroorlog

Op de valreep heeft een compromis over de machtsdeling tussen de president en het parlement de Kirgiezen gered van een gewelddadig vervolg op de Tulpenrevolutie van 2003.

Kirgizië beleefde woensdag zijn avond van euforie. Het parlement had juist unaniem ingestemd met een nieuwe grondwet, die van de presidentiële een parlementaire republiek maakt. Zeven dagen van onafgebroken betogingen voor het Witte Huis – zetel van president Koermanbek Bakijev en van de regering – hadden succes gehad. „Dit is een zege voor de democratie”, zei een oppositieleider. „We hebben een burgeroorlog voorkomen”, vond een andere.

Het is misschien wel kantje boord geweest. Een dag eerder waren de betogingen van de oppositie voor het eerst sinds ze op 2 november begonnen, uitgelopen op straatgevechten tussen aanhangers van de oppositie en aanhangers van Bakijev. En geruchten wilden dat nog duizenden aanhangers van de president vanuit het zuiden van het land – waar hij zijn machtsbasis heeft – op weg waren naar het noordelijke Bisjkek om hun leider te verdedigen. Als zij in de hoofdstad zouden aankomen voor de crisis werd opgelost, zou dat tot grof geweld hebben kunnen leiden.

Het compromis over de nieuwe grondwet voorkwam die confrontatie. Die nieuwe grondwet hevelde een aanzienlijk deel van Bakijevs bevoegdheden over naar het parlement, dat bijvoorbeeld het het laatste woord krijgt over de vorming van de regering, de benoeming van topfunctionarissen als ministers, de premier en de voorzitter van de centrale bank.

Het is een nederlaag voor de man die door de ‘Tulpenrevolutie’ van 24 maart 2005 – toen mede door hem zijn autoritaire voorganger Askar Akajev werd verdreven – aan de macht kwam en die in juni 2005 met negentig procent van de stemmen tot president werd gekozen.

Wat is er misgegaan, voor Koermanbek Bakijev? Ook toen, in maart 2005, heerste euforie. Een nog beduidend grotere dan de afgelopen dagen. En die schiep grote verwachtingen – die Bakijev niet heeft waargemaakt.

Zo bleven beloofde hervormingen uit. Bakijev erfde een groot aantal problemen die zich onder Akajev hadden opgehoopt. Die hadden te maken met conflicten over eigendom als gevolg van een gebrekkige en oneerlijke privatisering, ze hadden te maken met het gebrek aan persvrijheid, met corruptie, met het uitblijven van een landhervorming, met de grote macht van de georganiseerde misdaad over lucratieve bedrijfstakken, met nepotisme, met de bevoordeling van sommige clans ten koste van andere.

Sommige van die problemen werden aangepakt, zoals dat van de persvrijheid. Maar de meeste problemen liet Bakijev sloffen, hetgeen al snel leidde tot onzekerheid en uiteindelijk verzet. Veel leiders van de Tulpenrevolutie liepen van de president weg en vormden een oppositiebeweging, ‘Voor Hervormingen!’. Bakijev had een harde strijd tegen de corruptie aangekondigd, maar benoemde wel broers op sleutelfuncties. Een economische verbetering bleef uit. De georganiseerde misdaad werd niet aangepakt. Belangrijker nog: Bakijev maakte geen aanstalten zijn verkiezingsbeloften over de vorming van een parlementaire republiek waar te maken. Hij droeg geen bevoegdheden over. Alle macht bleef in zijn handen.

Het breekpunt kwam begin september, toen op het vliegveld van Warschau de Kirgizische oppositieleider Omoerbek Tekebajev, een van die van Bakijev weggelopen revolutionairen, oud-voorzitter van het parlement en leider van de partij Ata Meken, werd aangehouden met 595 gram heroïne in zijn bagage. De drugs waren verstopt in een Russische matrjosjka-pop. Het kostte de Poolse justitie maar een paar dagen om te ontdekken dat de drugs door anderen dan Tekebajev zelf in zijn bagage waren gestopt, en dat dat bedoeld moest zijn om hem politiek uit te schakelen. Het parlement in Bisjkek dwong daarop de plaatsvervangende chef van de geheime dienst – een van Bakijevs broers – tot aftreden. Het incident radicaliseerde de oppositie, met het begin van dagelijkse betogingen op 2 november als resultaat.

Of de nieuwe grondwet van Kirgizië een stabiele democratie kan maken, moet worden afgewacht. De denktank International Crisis Group (ICG) wierp in een rapport in december vorig jaar onder de titel ‘Kirgizië – een wankelende staat’ – de vraag op of Kirgizië wel levensvatbaar is. De Kirgizische cultuur is een clancultuur. Regionale belangen spelen een grote rol. Een politieke cultuur ontbreekt en politieke leiders – ook die van de oppositie – hebben grote zakelijke belangen, die ze al te vaak delen met dubieuze zakenlieden en leden van de georganiseerde misdaad. De grenzen tussen politiek en misdaad zijn vaag. Een voorbeeld: vorig jaar leidde een dispuut over de controle van een bazaar tot geweld dat de parlementariër Bajaman Erkinbajev het leven kostte. Het werk in het parlement was maar een deel van zijn activiteit: hij was óók de maffiakoning van Zuid-Kirgizië. Èn hij was financier van de Tulpenrevolutie. Een nieuwe grondwet is één ding, de toepassing van die grondwet is nog heel iets anders, zeker als die haastig en onder druk van de straat is opgesteld.

De denktank ICG is niet gerust. Die waarschuwde gisteren dat de problemen nog lang niet voorbij zijn en dat de onderliggende problemen nog geenszins zijn opgelost. De ICG riep de internationale gemeenschap op missies naar Bisjkek te sturen om de Kirgiezen te helpen met elkaar in dialoog te blijven en geweld te vermijden en die onderliggende problemen op te lossen. Escalatie, aldus de ICG, is nog steeds mogelijk – en dat is gevaarlijk voor Kirgizië, maar ook voor de regio.