Eindellijk onzichtbaar

Op zijn nieuwe cd lijkt Bob Dylan je mee te nemen naar een plaats van verdoeming. Voor verliezers is er geen genade. Maar aan het eind klinkt er toch hoop.

Eerst dacht ik dat hij het had over ‘the last Starbuck’s at the world’s end’, Bob Dylan, in de laatste regel van het laatste nummer van zijn nieuwe cd, Modern Times. Had gekund, nietwaar? Er zijn slechtere symbolen te verzinnen voor het alles en iedereen overwoekerende hypermoderne leven dan een koffieketen die zelfs tijdens de Apocalyps nog gelijkelijk aan verdoemden en uitverkorenen haar décaf-espresso’s en dubbele hazelnootlattes blijft slijten. God weet dat we die goed kunnen gebruiken, trouwens – zo’n Dag des Oordeels kan nog een hele zit zijn.

Maar dat zong hij dus níet, zag ik, toen ik de tekst van Ain’t Talkin’ onder ogen kreeg. Dylan, althans de ik-figuur en diens gezelschap, bestaande uit een zieke ezel en een blind paard, bevinden zich aan het eind van het lied niet in de laatste Starbuck’s maar in ‘the last outback at the world’s end’. Het laatste stukje echte woestenij, maar dan niet in Australië – waar dat begrip ‘outback’ vooral op zijn plaats is – maar, nog net een paar haltes verder, aan het einde van de wereld.

Nu eindigt Dylan in het – doorgaans extra lange – laatste nummer op zijn platen wel vaker op vreemde plekken. Denk aan ‘Desolation Row’ aan het eind van Highway 61 Revisited, of de ‘Lowlands’ op Blonde On Blonde en de ‘Highlands’ van Time Out Of Mind, om nog maar te zwijgen van de bergtop dan wel zeebodem vanwaar de ‘blue-eyed son’ aan het eind van Freewheelin’ de even bijbelse als nucleaire ‘Hard Rain’ kan zien aankomen. Maar met uitzondering van laatstgenoemde zwaar bewolkte plek waren die verre gewesten van de verbeelding zonnige vakantiebestemmingen vergeleken bij ‘the cities of the plague’ waar hij ons nu aan onze oren mee naar toe sleept. ‘A weary world of woe’ – waar de bloemen gewond aan hun tak bungelen, waar je elk moment een dreun voor je kop kunt krijgen, waar het godsonmogelijk is je naaste lief te hebben, en waar er voor verliezers geen genade is. Een lange eenzame weg en nergens een altaar te bekennen, een mystieke tuin waarin de tuinman het hazenpad heeft gekozen.

En de ik uit het lied maar lopen en lopen door dit tranendal, met zijn blinde paard en zieke ezel en kiespijn in zijn hiel, zonder dat er nog een woord over zijn lippen komt, zijn hoofd vol bittere gedachten over al het leedvermaak in de wereld, het machtsmisbruik, de afkeer van bezinning en vergeefsheid van gebed. Een wandeling die bijna tien jaar terug in de eerste regels van het eerste nummer van Time Out Of Mind begon – ‘I’m walking, through streets that are dead’. Als hij het geluk heeft zijn tegenstanders nu slapend aan te treffen, slacht hij ze af in hun bed. Maar veel tijd is er niet meer, niet meer dan een uur, zingt Dylan – alleen nog even de dood van zijn vader wreken en hij is weg.

Hoogst verontrustend

vind ik dat, wat Dylan hier suggereert in een soort bootleg-evangelie: Christus die terugkomt op aarde, niet om een tweede poging te wagen ons te verlossen, nee, zelfs niet om met ons te treuren of ons te troosten vanwege de hopeloosheid van die onderneming of, vooruit, deze en gene nog eens een andere wang toe te keren, maar incognito en alleen om zijn vader te wreken, wiens lijk hier nog ergens begraven moet liggen.

Hier, in the last outback at the world’s end.

Maar het rare is dat er ook iets vreemd hoopvols doorklinkt in het slot van dit meesterwerkje van acht minuten en nog wat. Misschien dat die bijna opgeluchte toon die van zijn laatste woorden een verzuchting van ‘eindelijk thuis’ maken, iets van doen heeft met het brandende verlangen dat hij nog tot in de regel vlak daarvoor met zich mee draagt – heart burnin’, still yearnin’. Alsof hij wil benadrukken dat het precies dat verlangen is geweest dat hem tot hier heeft gebracht, zoals het hem eerder de weg wees naar Desolation Row en de Highlands – een verlangen in laatste instantie dus naar een godvergeten plek, het grote onontgonnene, ver voorbij de laatste verkeerslichten van de menselijke beschaving. Nee, verder weg nog: waar de weg ophoudt, helemaal aan het einde van de wereld – de enige plek die tegelijk ook een tijdstip is, ook al is er dan daarna even helemaal niks meer.

Maar waar is dat dan precies, en wanneer? Antwoord: overal en altijd, of, zoals u wilt, nergens, nooit – kortom: in the mind. Maar dan wel in een van de moeilijkst in kaart te brengen, want maar ten dele op deze wereld betrokken, zeer onpraktisch aangelegde en niet door ons dagbewustzijn geregeerde gebieden van de mind. Een gebied aan de rand, misschien al half erbuiten, als een euclidisch punt vanwaar je met een beetje fantasie het geheel in beeld kunt krijgen, de hele pannenkoek – het enige punt ook vanwaar je je, met nog een beetje meer fantasie, een betere wereld kunt voorstellen.

‘The last outback at the world’s end’

is met andere woorden de natuurlijke habitat van dichters en profeten en van alle anderen die de tijd uit hun kop kunnen zetten; degenen die zich in visioenen en kunstwerken de toekomst weten te herinneren en die zich bewust zijn van de inhaalrace die het verleden met vaak angstwekkend veel succes op weg daar naar toe onderneemt, dwars door het heden waarmee het ook nog een appeltje te schillen heeft. De tijd is een koord zonder einde – rolt traag op, maar knalt dan plotseling terug als een zweepslag.

Geen wonder dat hij gedreven wordt door heimwee naar deze plek – het is de plek waar songs als Aint’ Talkin’ vandaan komen, net als de songs waar Dylan zelf weer uit put: archetypische blues en folksongs die deel uitmaken van het collectief onbewuste – daar de muzikale verbeelding van zijn. Songs waarin de beelden moeiteloos verspringen van het aardse naar het spirituele, van het alledaagse naar het surrealistische. Songs waarin geen onderscheid gemaakt wordt tussen komisch en tragisch of tussen romantiek en religie, songs waarin ezels, ziek van de liefde, een apocalyptisch ‘n-ee’ balken en blinde paarden zieners zijn. Songs die eeuwig actueel blijven omdat ze het verhaal vertellen van wat er altijd en overal gebeurt – gezien, althans, vanuit the last outback at the world’s end. Een einde dat in het oeuvre van Dylan overigens altijd vlak om de hoek ligt.

Maar hier, aan het slot van Ain’t Talkin’ gaat hij dan eindelijk geheel op in zijn bronnen, als een raadsel dat zijn oplossing vindt in een groter raadsel. Hij was niet altijd even makkelijk te volgen, klonk soms als iemand die gedroomd heeft van een nieuwe taal en dan het weinige dat hij zich daar ’s ochtends nog van kan herinneren gaat gebruiken om het belangrijkste moment uit zijn leven mee te verwoorden. Maar uiteindelijk heeft hij zijn doel bereikt. Net als Charlie Chaplin aan het eind van zijn films hebben we Dylan in het middelpunt van een snel krimpende cirkel langzaam kleiner zien worden. Hij is, zingt hij, net zo ver doorgelopen in de ‘mystic garden’ tot hij zelf ‘clean out of sight’ was.

Misschien dat hij nu, eindelijk onzichtbaar geworden, één met zijn bron, een goede kans maakt om de boom in zicht te krijgen die er volgens de dichter Wallace Stevens helemaal aan de rand van die mystieke tuin staat, met zijn takken al buiten het hek – en ik vertaal:

Alleen maar zijn

De palmboom aan ‘t eind van het verstand

Voorbij de laatste gedachte, verrijst

In de bronzen verten

Een goud gevederde vogel

Zingt in de palm, zonder menselijke oogmerk,

Zonder menselijk gevoel, een vreemd lied

En je begrijpt dat het niet de rede is

Die ons gelukkig maakt of ongelukkig

De vogel zingt. Zijn veren schitteren.

De palm staat aan de rand van het Al

De wind beweegt zachtjes in de takken

Vogelveren dwarrelen als vlammende tanden naar omlaag.