De zesde AKO-genomineerde

Joris Note: Hoe ik mijn horloge stuksloeg. De Bezige Bij, 286 blz. €19,90

Vijf van de zes genomineerden voor de AKO literatuurprijs, die vanavond op Schiphol wordt uitgereikt, zijn in deze krant uitgebreid geprezen. De engelenmaker van Stefan Brijs was ‘een geweldig boek’, De bekoring van Hans Münstermann ‘éen imposante zedenschets’, Stemmen op schrift van Frits van Oostrom had ‘een grote visie’, De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst bevatte ‘prachtige verhalen’ en Art.285b. van Christiaan Weijts was ‘een totaaltheater van deze tijd’.

Maar hoe zit het met nummer zes? Hoe ik mijn horloge stuksloeg van de Vlaming Joris Note werd nog niet besproken in deze bijlage, zoals het boek tot de nominatie ook verder een onopgemerkt bestaan leidde. Dat is niet echt verwonderlijk, omdat Hoe ik mijn horloge stuksloeg weliswaar het etiket ‘roman’ draagt, maar voor een belangrijk deel gevuld wordt met essayistische beschouwingen van de hoofdpersoon. Die maken het boek niet altijd even toegankelijk. De wat hybride vorm maakt het wél weer begrijpelijk dat het boek door de AKO-jury uit het grote aanbod is gevist: juist deze literaire prijs staat immers open voor zowel fictie als non-fictie – en zeker voor mengvormen.

Hoe ik mijn horloge stuksloeg, Notes vijfde boek, vertelt het verhaal van Boris Bibber. Hij is een man ‘zonder kompas’ die zich halverwege zijn leven tijdelijk terugtrekt in een klooster, niet uit religiositeit maar uit een soort bevestiging van zijn buitenstaanderschap in de wereld. Aldaar sluit hij vriendschap met de jongste non (Simone, ook alweer in de zestig) en bespreekt hij met haar de toestand in de wereld, zijn verleden en hun beider drijfveren.

Het boek begint met een ouverture van drie pagina’s waarin een wrede en willekeurige koning plotseling datgene uiteengezet krijgt wat niemand hem durfde te vertellen: dat hij een slechte koning is. De verwachte vorstelijke toorn blijft echter uit: de koning komt tot inkeer; hij wordt een goede koning. De moraal is duidelijk. Ook zonder de verwachting van gehoor of invloed, is het belangrijk te vertellen wat je denkt.

Het lijkt een verontschuldiging te zijn voor wat komen gaat, want Hoe ik mijn horloge stuksloeg staat vol cultuurkritiek die zich zo principieel verzet tegen de 21ste-eeuwse wereld dat je moet vrezen dat niemand zich er veel van zal aantrekken. Nu is vergeefsheid geen bezwaar voor een literair pleidooi, maar jammer is wel dat het grootste deel van de cultuurkritische paden die Note zijn hoofdpersoon laat bewandelen, platgetreden zijn.

Zo staat hij uitgebreid stil bij de affaire-Dutroux. Hij maakt kanttekeningen bij de hysterie die die zaak heeft losgemaakt. Van onbedoeld veelzeggende krantenkoppen als ‘Dutroux schuldig aan alles’ tot een korte analyse als: ‘In zoverre Dutroux uitzonderlijk was moet zijn naam zeker niet gezien worden als, ik citeer de gazet ik verzin het niet, een synoniem voor het kwade in deze wereld: belachelijk, en schadelijk voor het begrijpen. In zoverre hij uitzonderlijk was betekent zijn geval niet meer dan een gruwelijk fait-divers, een incident.’

Dat is wáár, maar het is waarheid die je verwacht in een column aan de vooravond van het proces – niet op een nominatielijst voor een literaire prijs. Dat geldt ook voor aardige beschouwingen over de neiging om in de media altijd in overdrijving te spreken of het aanklagen van ‘de achteloosheid waarmee milieudelicten begaan worden’.

Daar moet Hoe ik mijn horloge stuksloeg het niet van hebben. Evenmin van de essayistische uitweidingen in de wereldcultuurgeschiedenis (Augustinus meets de Franse modefilosoof Alain Badiou; een beschouwing over Gustave Courbet). Die slagen er slechts bij vlagen in een brug te slaan naar de wederwaardigheden van de hoofdpersoon.

Het meest geslaagde onderdeel van de roman is het portret van de wereldvreemde Boris Bibber. Dat komt door de ijzeren consequentie waarmee Note zijn hoofdfiguur tot een vreemdeling in de wereld maakt. Die is namelijk al lang voor hij onderdak zocht in het klooster een man die maar niet kan meedoen met de rest van de wereld. ‘Hij deed altijd wat hij niet wilde, gewetensvol tegen zijn geweten’. Dat is een mooie proeve van ongeschiktheid, zoals ook de verbinding tussen de tijdelijk opgesloten Boris en de altijd wachtende non Simone mooi is beschreven. Wat zij in het klooster doet, legt ze uit, is alleen maar wachten. Want als de heiland komt,moet er toch iemand zijn die meteen tijd voor hem heeft, die niet iets anders aan het doen is?

Mooi, zoals ook de voorgenomen resocialisering tegen beter weten in van de hoofdpersoon aan het eind van de roman, fraai aansluit bij de moraal uit de ‘ouverture’ met de koning. Voldoende voor de AKO-prijs zal het echter niet zijn. Op basis van de ontvangst van de boeken in de pers lijken de twee andere Vlamingen, Brijs en Verhulst, de beste kansen te hebben, met de in het juryrapport nadrukkelijk bejubelde Christiaan Weijts als belangrijkste outsider.

Voor de eerder verschenen recensies en andere links zie www.nrc.nl/boekenblog