De opkomst van de would-be’s

Jonathan Taplin werkte samen met Bob Dylan, The Band en Martin Scorsese. Nu onderzoekt hij de invloed van internet op de cultuur. YouTube is de norm. „Mensen zoeken niet langer ‘fifteen minutes of fame’ – ze zoeken ‘fame for fifteen people’.”

Jonathan Taplin is zo iemand die telkens opnieuw begint. Hij was roadie van Bob Dylan en manager van The Band in de jaren zestig. Filmproducent voor Martin Scorsese in de jaren zeventig. Bankier in de jaren tachtig. Internetondernemer in de jaren negentig. „Ik hou van de chaos die verandering teweegbrengt”, zegt hij op de plek van zijn vijfde leven – de universiteit van Southern California in Los Angeles. Daar onderzoekt hij de invloed van internet op de Amerikaanse cultuur. Dit weekeinde is hij een van de sprekers op de Nexus-conferentie in Amsterdam, die onder meer gaat over de invloed van kitsch op het moderne leven.

Werken met Dylan, The Band en Scorsese maakten van hem een sixties person. „Dat is nooit meer overgegaan en ik ben er trots op – wat die conservatieve nutheads ook zeggen.”

Alles kwam samen in 1976, in The Last Waltz, lange tijd de beste bioscoopfilm over een popconcert. Taplin produceerde die film, Scorsese regisseerde. Het was de registratie van het afscheidsoptreden van The Band, de Canadese rockgroep waarvan Taplin de manager was. De groep werd bekend als begeleider van Dylan en excelleerde in popliedjes als The night they drove old dixie down.

Het afscheidsconcert – met gastoptredens van Dylan, Neil Young, Joni Mitchell, Dr John, Eric Clapton, Ringo Starr – representeerde volgens Taplin de tijd dat popmuziek nog werd gedomineerd door de drang naar originaliteit. „The Band was succesvol, maar hield ermee op omdat er muzikaal niets meer inzat en vierde dat met een fenomenaal concert. Daarom was die film zo goed.”

Taplin leerde The Band kennen tijdens zijn studie op Princeton – via Dylan. „Dylan ontmoette ik in 1965 op het Newport Folkfestival. Ik was roadie voor een folkgroep waarin Maria Muldour zong. Op het festival ontmoette ik Albert Grossman, Dylans manager. Ik ging voor hem werken – een weekendbaantje. Zo leerde ik Dylan beter kennen.”

Er hing een gestoorde sfeer rond Dylan, zegt hij. Het was de tijd waarin folk-aanhangers er niet van waren gediend dat Dylan de elektrische gitaar gebruikte. „Mensen zagen hem als een Messias. Iedereen gebruikte te veel drugs. Dylan en The Band hadden zich overgegeven aan de levensstijl van Woodstock, waar ze vanaf 1966 leefden.”

Taplin werd manager van The Band. „Ik kon het goed vinden met Robbie Robertson. Het was meteen vriendschap. Robbie was beïnvloed door Dylans poëtische gaven; muzikaal was hij een kind van Nashville. The Band wilde naar Californië om een plaat te maken, ik nam ze mee, het lukte. Na mijn afstuderen zijn we gaan toeren. Drie jaar trokken we onafgebroken door het land.”

Dylans roem grensde aan het onwaarschijnlijke. Zelfs de Beatles werden nederig als Dylan in de buurt was. „In Europa was hij bijna nog beroemder dan hier. Ik herinner me het Isle of White-festival in 1969. Ik had een huis met een grote tuin gehuurd waar Bob en The Band konden repeteren. Op werd er gebeld: de Beatles wilden langskomen. John, George en Ringo – Paul was er niet bij – wilden met Bob rondhangen in de hoop dat hij muziek met ze wilde maken. Ze waren als schoothondjes.”

Dylan kon niet tegen al die roem. „Het werd te groot voor hem. Hij wilde op die momenten maar één ding: zich terugtrekken. Hij had geen zin in een leidersrol. Politiek niet, maar intellectueel evenmin.”

In 1972 besloot

Taplin Woodstock te verlaten – Dylan en The Band waren opgehouden met toeren. In een impuls verhuisde hij naar Los Angeles. Daar belandde hij in de filmindustrie. Dankzij een journalist van Time, die een coverstory over The Band schreef waarin een jongen met grootse plannen voorkwam – Martin Scorsese. Taplin belde Scorsese. „Hij was op zoek naar mensen die hem konden helpen een film te maken. Hij was er al jaren mee bezig, maar niemand wilde erin investeren. Hij gaf me het script van Mean Streets en liet me zijn korte films zien. Ik hield van zijn neorealistische aanpak, zijn passie – en ik dacht: ik waag het erop.”

Scorsese had 300.000 dollar nodig. Taplin besloot er zelf in te stappen en vond een vriend die het risico wilde delen. „Iedereen werkte bijna voor niets. Niemand kende Robert De Niro of Harvey Keitel nog. En omdat Scorsese al zolang met het script rondliep, had hij elke scène al in een schriftje getekend. Hij kon tussen de dertig en veertig setups per dag maken; een soort televisietempo.”

In Mean Streets – over de dubbele moraal in Little Italy – had De Niro een van zijn eerste grote rollen. „Het was in feite het levensverhaal van Scorsese – over een man die niet meer past in de omgeving waarin hij opgroeide en er toch telkens in wordt teruggeworpen.”

De film was een creatief succes. „Maar in de Verenigde Staten bleef het een kleine kunstfilm. Ik weet nog dat Warner Brothers de Europese rechten aan mij terugverkocht; ze dachten niet dat de film daar iets zou doen.”

Na The Last Waltz begonnen voor Taplin de jaren tachtig: ze stemden hem somber. Hij verafschuwde het dat het culturele leven – na Reagans conservatieve revolutie – gedomineerd werd door geld. Winst ging boven originaliteit. Alles naar het voorbeeld van Andy Warhol, die zijn talenten in dienst stelde van zijn imago. „Warhol was een begenadigd tekenaar, maar koos tenslotte voor zijn productielijn: elke twintig minuten een nieuwe zeefdruk voor 60.000 dollar per stuk – en daarna op de foto met Nancy Reagan. Imago verstootte de werkelijkheid: het succes van kitsch.”

Het leverde een deprimerende periode op, zegt Taplin. Hollywood ging zijn eigen films namaken. De muziekindustrie stimuleerde een misdaadcultuur om hiphop te promoten. De bekendste ondernemer van de Verenigde Staten, Donald Trump, vergaarde roem door alléén een imago van succes en rijkdom te verkopen – in realiteit ging hij tweemaal failliet. Politiek was voortaan reclame, er bestond amper nog een openbare ideeënstrijd. „De advertentie-industrie kwam erachter dat het cool was om deel uit te maken van de tegencultuur. Zo ging de tegencultuur verloren in de massacultuur. De muziekindustrie boomde. Ik kende die mensen, ze dachten in die tijd echt: maakt niet uit wat we op de markt gooien, het verkoopt toch. De authenticiteit van Dylan, The Band en The Beatles werd vervangen door would be’s.’’

Taplin maakte nog jaren films en documentaires. Hij produceerde een hooggewaardeerde documentaire voor de Amerikaanse publieke omroep over de betekenis van olie voor de mondiale verhoudingen. En hij produceerde nog talrijke speelfilms, zoals To die for over het einde van het Somoza-regime in Nicaragua.

Maar het heilig vuur

was gedoofd. „In de film veranderde alles na Star Wars in 1977. Film werd een manier om speelgoed te verkopen aan jongens van veertien, zodat ze een keer of vier naar dezelfde film gaan. Kunstenaars droegen ook zelf bij aan hun neergang. Ik leefde in die tijd tussen de muzikanten en de acteurs. Het was zó destructief. Scorsese is openhartig over zijn obsessie voor drugs geweest. Ik treedt niet in details. Maar het was erg moeilijk The Last Waltz af te maken.’’

Een van zijn grootste teleurstellingen was dat ook The Band – op leider Robbie Robertson na – de geest van de jaren tachtig overnam. Aangestoken door de lokroep van het geld besloot de groep begin jaren tachtig weer te gaan spelen. „Robbie en ik waren vol ongeloof. Wij waren trots op de film. Hoe konden ze dat doen? Was The Last Waltz dan één grote fake?”

Taplin stapte over naar een wereld waar, volgens hem, geld terecht regeert: als bankier voorkwam hij dat de Walt Disney-studio’s werden overgenomen door raiders. En als ondernemer introduceerde hij video-on-demand, waarmee kijkers op elk gewenst tijdstip film kunnen kijken zonder onderbreking van reclame. Op de universiteit onderzoekt hij sinds een paar jaar de consequenties van nieuwe media als deze.

Ze zullen op den duur televisiestations bedreigen – en ongekend veel kennis over burgers zal bij ondernemers terechtkomen. „Het probleem van tv-reclame is dat niemand weet wie ernaar kijkt. Daarom heeft televisie in de huidige vorm geen toekomst. De rol van advertenties zal anders worden. Ze zullen straks in een heel specifiek medium worden geplaatst, waarvan de reclamemaker precies weet wie de gebruiker is, wat zijn leeftijd, postcode, koopgedrag is. Het roept grote privacyvragen op.”

Er is een andere,

grotere bedreiging. Volgens Taplin is er in de Verenigde Staten een georganiseerde poging gaande om de vrije toegang tot internet te beperken. De grote kabel- en telecombedrijven zijn erin geslaagd het Huis van Afgevaardigden te overtuigen dat internet niet langer neutraal hoeft te zijn. Dat wil zeggen: hoe vaker mensen het gebruiken, hoe hoger de tarieven van providers – internet wordt dan, aldus critici, een soort Amerikaanse kabeltelevisie: eerst betalen, dan kijken.

Taplin is een van de vurigste strijders tegen de wetgeving. „Dit is een enórm gevaar. Wat het eigenlijk doet is de macht van de distributie terugbrengen bij de mediaconglomeraten. Dan zijn we terug bij af. Maar het interessante is wel dat de conglomeraten – AT&T, Comcast, Verizon, TimeWarner – het nog niet aandurven de vrije communicatie op het net aan te tasten. Ze hebben het zelfs nog niet in beweging gezet. Omdat ze zich realiseren dat ze een openbare afslachting riskeren als ze het gaan doen. Maar strijd komt er zeker.”

Het is volgens hem een laatste poging van de oude mediamachten om de ultieme democratisering te beletten die internet veroorzaakt. „De greep van Hollywood en de mediaconglematen op onze smaak is voorbij. YouTube is de nieuwe norm. Mensen zoeken niet langer fifteen minutes of fame – ze zoeken fame for fifteen people. Originele mensen hebben weer een stem. Het web legt een levendige en dynamische cultuur bloot. De macht van het geld legt het – even – af tegen de macht van de creativiteit. De jaren tachtig zijn voorbij. Eindelijk!”

De trend is inmiddels ook tot de politiek doorgedrongen, zegt hij. Het conservatisme loopt op zijn laatste benen. „De verkiezingen van 2006 zijn even belangrijk als die van 1968. Het omslagpunt was volgens mij Bush in 2003 over Irak: mission accomplished. Sindsdien zien we een omgekeerde beweging: het imago regeert niet langer de werkelijkheid, neen, de werkelijkheid is begonnen het imago te verdringen.”

Nexus-conferentie ‘New Notes Towards the Definition of Western Culture, 11 november, Passagiers Terminal Amsterdam, 9.30-18.30u. Inl.: tel. 013-4663450 of www.nexus-instituut.nl/

Rectificatie / Gerectificeerd

Het interview met Jonathan Taplin (Cultureel Supplement, 10 november) bevat enkele fouten. De als Maria Muldour opgevoerde zangeres heet in werkelijkheid Maria Muldaur. Het Isle of White -festival moet zijn Isle of Wight-festival. De film To die for (1995) die Taplin produceerde gaat niet over de val van het Somoza-regime in Nicaragua, maar over een ambitieuze vrouw die alles doet om op tv te komen.