De oorlog in het bos

Pierre Péju: De vermoorde onschuld. Vertaald door Nelleke van Maaren. Meulenhoff, 303 blz. € 19,90

U kent het wel, het kippenvel dat je krijgt als je op een wandeling ineens een donker bos inloopt, waar volledige stilte heerst, de temperatuur een paar graden daalt en het ook op een stralende dag ineens aardedonker is.

Zo’n ervaring is een van de kernpassages in De vermoorde onschuld van de Franse schrijver Pierre Péju, die dankzij het succes van La petite Chartreuse ineens een internationale bekendheid werd. Zijn verteller, een jonge Fransman, brengt een zomer door in een Duits dorp, Kehlstein. Op een mooie zondag trekt het hele dorp erop uit voor een tochtje naar het Zwarte Meer: de vrouwen dragen dirndljurken, de mannen hebben veertjes op hun hoed, de Tirolse tassen zijn gevuld met brood, bier en vlees. Als de stoet door het bos loopt, valt iedereen stil, de verteller wordt zelfs door misselijkheid overvallen. Even later, bij het meer, keert de algemene vrolijkheid terug.

Allemaal schijn, natuurlijk, want de pret is opgeklopt en dient er alleen maar toe de gruwel uit het recente verleden te verstikken, het schuldgevoel te overschreeuwen en de herinnering de kop in te drukken. Vreselijke dingen zijn er gebeurd in dat bos, maar dat is nog niets vergeleken bij wat er aan ellendigs rondspookt in de hoofden van enkele dorpsbewoners die de oorlog hebben meegemaakt. Het relaas van de verschrikkingen waaraan zij werden blootgesteld vertelt Péju in detail in het begin van zijn boek. Het is een loodzwaar relaas van pure onmenselijkheid, van ‘een onmeetbaar, besmettelijk afgrijzen’. ‘De onmetelijkheid hier is een monsterlijke lach’, schrijft de dokter in zijn opschrijfboekje. Le rire de l’ogre, de lach van het monster luidt dan ook de oorspronkelijke titel van deze roman, die in het Nederlands vreemd genoeg De vermoorde onschuld heet.

De lezer krijgt net zo weinig respijt als de personages. Voortdurend is hij getuige van hun leed, hun loodzware geschiedenis, hun wanhopige pogingen even te ontsnappen aan de last van hun verleden. Wat te doen tegen ‘een hele meute warrige herinneringen’ die als ‘wilde honden’ achter je ‘aanhollen, zich op je storten en de aarde doen beven’, zodat ze je ‘verpletteren’?

Van dezelfde strekking zijn de pro- en epiloog, die samen een gruwelijk sprookje vormen. Nodig waren die niet: de lezer is al ruim voldoende doordrongen van wat de auteur wilde zeggen. Péju heeft alles uitgeschreven, alles uitgelegd en zich al schrijvend van zijn last ontdaan. Die ligt aan het eind van het boek op de schouders van de lezer. Loodzwaar.