De man die de oorlog moest verkopen

Bij tussentijdse verkiezingen is president Bush deze week afgestraft door de kiezers om de oorlog in Irak. Had hij beter naar Colin Powell moeten luisteren?

Colin Powell op een persconferentie in Bagdad, september 2003 Foto Reuters/Chris Helgren United States Secretary of State Colin Powell adjusts his headphones while listening to a question in Arabic during a press conference in the Iraqi capital of Baghdad September 14, 2003. Powell, confronting the cost of the U.S.-led occupation of Iraq head-on, accused infiltrators on Sunday of trying to sabotage stabilisation efforts. REUTERS/Chris Helgren CLH//JV REUTERS

Karen DeYoung: Soldier. The Life of Colin Powell. Knopf, 610 blz. € 25,49

Dit moeten onze laatste verkiezingen over Irak zijn, verzuchtte de invloedrijke columnist Thomas Friedman deze week in de New York Times. De afkeer van de oorlog heeft volgens Friedman een diepe wond in de psyche van Amerika geslagen. De Democraten hebben er electorale munt uit geslagen. Na de tussentijdse verkiezingen hebben ze nu een klinkende meerderheid in het Huis van Afgevaardigden en een meerderheid in de Senaat. Vlak voor de verkiezingen werd bekend dat de machteloze woede van veel Amerikanen over Irak, inmiddels wordt gedeeld door enkele prominente neoconservatieve haviken, die als aanjagers golden van de Amerikaanse inval. Richard Perle, Kenneth Adelman en David Frum keerden zich in een interview in het maandblad Vanity Fair af van Bush en diens souffleurs, minister van defensie Donald Rumsfeld en vice-president Dick Cheney. Inmiddels heeft Bush zijn minister van Defensie geofferd. Daarmee geeft hij impliciet het failliet van zijn beleid in Irak toe.

Had oud-minister van buitenlandse zaken Colin Powell president Bush op andere gedachten kunnen brengen? Krijgt Powell eindelijk zijn gelijk, met zijn waarschuwingen een voorzichtiger koers te varen ten opzichte van Irak? Frum, voormalig tekstschrijver van de regering-Bush, gaf in zijn The Right Man (2003) al aan dat Powell een geïsoleerde positie innam tijdens de eerste ambtsperiode van Bush. Powell was weliswaar een doorgewinterde bureaucratische vechtjas, maar tegen het duo Rumsfeld en Cheney stond hij machteloos, ook omdat voormalig veiligheidsadviseur Condoleezza Rice, in 2005 de opvolger van Powell, na de aanslagen van 11 september 2001 schoorvoetend hun kant koos. Het was dus drie tegen één. Geen moeilijke keuze voor de president, ook al omdat zijn veelbesproken ‘intuïtie’ hem vertelde het spoor van de hardliners te volgen.

Het beeld dat Frum schetste wordt nu door Washington Post-journaliste Karen DeYoung in haar biografie van Powell Soldier, dubbel en dwars bevestigd: hij had nooit een kans van slagen. De van nature behoedzaam opererende Powell werd vanaf de eerste dag tegengewerkt en later zelfs onder de voet gelopen door Cheney, Rumsfeld en wat Powell tot twee keer toe de ‘Jinsa-crowd’ noemt: medewerkers van Rumsfeld in het Pentagon die zich identificeerden met het wel en wee van Israël en banden onderhielden met het Jewish Institute for National Security Affairs.

Powell, zoon van Jamaicaanse immigranten die opgroeide in de New Yorkse wijk de Bronx, had als beroepssoldaat met uitzonderlijke analytische en diplomatieke gaven een bliksemcarrière gemaakt. Hij was veiligheidsadviseur onder president Reagan en stafchef van het leger onder Bush senior en Clinton. Als stafchef leende hij zijn naam aan een militaire doctrine die een definitieve afrekening met het Vietnam-syndroom moest zijn. Deze ‘Powell-doctrine’ hield in dat Amerika zijn leger voortaan alleen zou inzetten bij duidelijk gedefinieerde missies, die door de bevolking in overweldigende meerderheid werden gesteund, en met gebruik van groot militair machtsvertoon. Daarnaast moest bij militaire operaties de ‘exit-strategie’ al van te voren zijn bepaald.

Nauwelijks een maand na zijn aantreden als minister van Buitenlandse Zaken, in maart 2001, werd Powell al publiekelijk teruggefloten naar aanleiding van een verklaring over Noord-Korea. Powell wilde het toenaderingsbeleid van Clinton jegens Pyongyang voortzetten. Hij toonde zich voorstander van dialoog met een van de vijanden van Amerika, terwijl de nieuwe regering ‘schurkenstaten’ als Noord-Korea juist wilde isoleren, destabiliseren en aanpakken. Bovendien was de naam Clinton onder conservatieve Republikeinen in Washington besmet. Powell, die het persoonlijk goed met Clinton kon vinden en die onder hem had gewerkt, was daarmee impliciet verdacht voor veel van zijn nieuwe collega’s.

Dat werpt de vraag op waarom Bush hem eigenlijk koos als zijn nieuwe minister van Buitenlandse Zaken. Het beste antwoord is vermoedelijk dat Bush niet om Powell heen kon. De gouverneur van Texas had, in tegenstelling tot zijn vader, weinig kennis van buitenlandse politiek. Hij kon het gewicht én de populariteit van Powell goed gebruiken. DeYoung toont echter overtuigend aan dat Bush zich nooit bij hem op zijn gemak heeft gevoeld. Het eerste gemoedelijke samenzijn tussen beiden (met echtgenotes) vond plaats in 2005, nádat Powell was opgestapt. Daarvoor had hij anderhalf jaar, tot augustus 2002, moeten wachten op een inhoudelijk gesprek met de president, zonder de storende aanwezigheid van óf Rice óf Cheney in het Oval Office.

Soldier valt in twee delen uiteen. Het eerste is een klassieke biografie. Op grond van gesprekken met familieleden, vrienden en bekenden en gebruikmakend van de bestaande literatuur, schetst DeYoung de stormachtige opkomst van de getalenteerde immigrantenzoon. Dit deel van de biografie leunt zwaar op Powells autobiografie uit 1995, My American Journey. De ‘ghostwriter’ van die autobiografie, Joseph Persico, werd bovendien regelmatig door DeYoung geraadpleegd. Halverwege verandert het boek van karakter. De buitenlandse politiek van de regering-Bush tijdens diens eerste termijn komt centaal te staan, vanuit het perspectief van Powell en zijn naaste medewerkers van het State Department. DeYoung, die voor de krant in 2002 en 2003 de oorlog tegen de terreur versloeg, maakt daarbij veelvuldig gebruik van haar eigen artikelen, alsmede van zes interviews met Powell en vele gesprekken met zijn (anonieme) ondergeschikten. Nadeel van de interviews met Powell is dat ze op één na tijdens zijn ministerschap werden afgenomen, en het beeld dat we al van hem hadden niet echt veranderen. Hij was een geïsoleerde, na verloop van tijd zelfs tragische minister, die zich een staalkaart aan pesterijen, beledigingen en vernederingen moest laten welgevallen.

Het dieptepunt van Powells carrière is ongetwijfeld de rede die hij op 5 februari 2003 hield bij de Verenigde Naties, waarin hij onomstotelijk bewijs zou aanvoeren dat Irak in het bezit was van massavernietigingswapens. Powell hield het betoog op verzoek van de president: ‘Jij bezit de geloofwaardigheid om dit te doen. Misschien geloven ze jou.’ Powell was twee jaar na zijn aantreden afgegleden tot een veredelde posterboy voor buitenlands beleid dat elders werd bepaald – op het Pentagon, in het kantoor van de vice-president en in de National Security Council. Terwijl Powell zelf dacht dat hij nuttig werk verrichtte, werd hij in feite voor het karretje gespannen van Cheney, Rumsfeld en Bush. Het betoog dat Powell op 5 februari hield overtuigde de Amerikaanse publieke opinie, maar niet het buitenland. Later bleek dat het ‘bewijs’ op los zand was gebaseerd. Toen CIA-directeur George Tenet dat exact een jaar later in een rede toegaf, was Powell ook voor de buitenwereld uitgerangeerd. Over de ‘Powell-doctrine’ sprak hij toen terecht al niet meer. Die was opzij gezet door Rumsfeld die koos voor een kleine, mobiele legermacht en niet voor de overweldigende troepenmacht waar Powell steeds op had aangedrongen. Ook de noodzaak van een heldere exit-strategie was bij Rumsfeld naar de achtergrond verdwenen.

Had Powell vanwege Irak de eer aan zichzelf moeten houden? Door dat te suggereren, schrijft DeYoung, begrijp je niet wat voor man hij is. De soldaat in hem bleef ook als minister loyaal aan zijn hoogste bevelhebber, president Bush. Hij opereerde behoedzaam, nam nooit direct stelling tegen de invasie, hoewel die dus tegen zijn principes in plaatsvond met een klein leger en zonder overweldigende steun van de bevolking. Toen Bush zijn mening wilde horen over de naderende oorlog tegen het regime van Saddam Hussein, wist hij niet meer uit te brengen dan een waarschuwing: ‘If you break it, you own it.’ Zelf vergelijkt Powell zijn positie in Soldier met die van een voorganger, ook een voormalig generaal: George Marshall, die evenmin aftrad toen president Harry Truman tegen Marshalls zin in 1948 Israël erkende. Maar hij moet erkennen dat hij geen Marshall is, en Bush geen Truman. Daarmee velt hij een hard oordeel over zichzelf en de regering die hij diende.