De maan ruikt naar vuurwerk

Op Orphans – drie cd’s vol garagerock, blues, ballades, gospels, enge verhalen en poëzie – keert Tom Waits zijn zakken leeg ‘na een avond stappen, gokken en inbreken’. Een gesprek met de singer-songwriter in Californië. Over helden en weeskinderen.

Tom Waits: ‘In elke songtekst moet een weersomstandigheid, een plaatsnaam en iets te eten voorkomen’ foto Anton Corbijn

De hordeur valt piepend terug in zijn sponning. Restaurant Little Amsterdam, aan een stoffige weg in het noorden van Californië, heeft zijn beste tijd gehad. Een schorre, wat lijzige stem vraagt om een kop heet water. Het donkere stemgeluid herken je uit duizenden. In de deuropening staat Tom Waits, met een grote pot oploskoffie onder zijn arm.

Het is een surrealistische plek, ruim een uur rijden van San Francisco. Rondom het lage, witte gebouwtje strekken vergeelde heuvels met kuddes koeien zich uit tot de horizon. Een houten windmolentje en een afgebladderd bord met ‘House of Oysters’ moeten de automobilist de weg af lokken. Het interieur houdt het midden tussen een Amerikaanse sportsbar en een oud-Hollands café. Pooltafels en neonreclames van Budweiser worden afgewisseld met Delftsblauwe bordjes en koperen scheepsbellen. Boven het aquarium, met daarin een reusachtige albino meerval, hangt een borduursel van de Bollenstreek.

Waits, die zelf op vier mijl afstand van Little Amsterdam woont, is al jaren bevriend met de Nederlandse eigenaar, Evert Winkelman. Omdat Waits een hekel heeft aan reizen, en al helemaal aan chique hotels, huurde hij voor de promotie van zijn nieuwe plaat Orphans de eettent van zijn buurman af. Zo kan hij ’s ochtends de deur uitgaan en ’s avonds weer op tijd thuis zijn voor het maal met vrouw en kinderen.

Omdat het een prachtige nazomerdag is, installeert hij zich op het plaatsje achter de keuken, tussen een lichtblauwe pick-up truck, wat oude koelkasten en schoonmaakartikelen. Hier, te midden van Everts rommel, werd ook de hoesfoto voor Orphans gemaakt. Daarop poseert Waits als landloper, met oude schoenen en een spijkerjasje. Zijn zwarte hoed met rode veer rust op het tafeltje naast hem. Vandaag draagt de zanger exact dezelfde kleding.

„En, wat vind je ervan?” vraagt hij zodra we zitten. Met vriendelijke kraaloogjes kijkt hij me verwachtingsvol aan. „Welk nummer vind je het beste?” Zijn assistent had me al gewaarschuwd dat Waits erg nerveus was voor de eerste reacties op zijn nieuwe plaat. Toch komt de vraag als een verrassing. Hij, de man met twee dozijn albums op zijn naam, die in films van regisseurs als Francis Ford Coppola en Jim Jarmusch schitterde, die onlangs nog als vierde eindigde in een ranglijst van de honderd beste songwriters ter wereld en wiens nummers door honderden artiesten zijn gezongen – hij, die door velen als geniaal wordt beschouwd, voelt zich onzeker?

Orphans (weeskinderen) is een

verzameling van 56 liedjes, verdeeld over drie cd’s, die ieder een totaal eigen sfeer hebben. Brawlers (vechtersbazen) is de ruigste van de drie, met nummers die laveren tussen vuige garagerock en vette blues, met bijvoorbeeld Waits’ eigen interpretatie van het Ramones-nummer ‘The Return Of Jackie and Judy’ en ‘Road to Peace’, een felle aanklacht tegen de oorlog in Israel. Bawlers is de gevoeligste en omvat ballades, gospels en zelfs een Keltische wals. Het eigenaardigst is Bastards, een cd vol enge verhaaltjes voor het slapen gaan – over de maan, dodelijke insecten en heksen – en met het prachtig voorgedragen gedicht ‘Nirvana’ van Charles Bukowski.

Deels zijn de nummers afkomstig van eerder uitgebrachte platen, zoals soundtracks van films of compilatiealbums van anderen, maar meer dan de helft bestaat uit nieuwe opnames. Orphans is daardoor een veelzijdig en rijk album geworden. Het is een plaat die je meevoert langs de saloons, de bluestenten en de rockclubs van Amerika en die onderweg zo’n beetje alle muziekstijlen de revue laat passeren. In het dikke boekje dat bij Orphans verschijnt, vergelijkt Waits het resultaat met het legen van je zakken na een avond gokken en inbreken. „Ik hou van vreemde combinaties”, schrijft hij. „Orphans is als een radiostation waar verleden, heden en toekomst elkaar afwisselen.”

Het bijeenbrengen van al die verschillende liedjes was nog niet eenvoudig, zegt Waits. „Het is niet zo dat je de kluis inloopt en eruit haalt wat je nodig hebt. Van veel nummers wist ik niet meer precies waar ze waren. Ik houd geen archief bij. Voor sommige songs heb ik zelfs losgeld moeten betalen aan een loodgieter uit Rusland – 1200 dollar voor een paar cassettebandjes. Op de een of andere manier bezat deze man de enige opnames van die liedjes. Maar ik had het er graag voor over.”

Volgens Waits is het opnemen van een cd goed te vergelijken met het vangen van vogels – net zo moeilijk. „Mijn theorie is dat de liedjes er altijd al zijn. Soms verzamelen ze zich, en dan gaan ze weer ieder hun eigen weg. Het gaat erom er te zijn op het moment dat ze zich groeperen. Dan heb je ze te pakken. Zo niet, dan vliegen ze weer verder en komen ze op een andere plek bijeen, voor iemand anders. De kunst is om ze levend te vangen. Je kunt ze namelijk beschadigen tijdens de opnames. Dan eindig je met een mond vol losse veren.”

Tom Waits praat bedachtzaam.

Zijn antwoorden zijn afgemeten, met veel stiltes tussen de woorden –- alsof hij ze tegen elkaar afweegt. Vaak spreekt hij in metaforen. Regelmatig is hij afgeleid. Door het geluid van een voorbijrazende truck. Door een torretje dat op de tafel landt en dat hij tussen zijn wijsvingers heen en weer laat rennen. Of door een pluisje dat langs waait en dat hij hoe dan ook wil vangen.

Excentriek of wereldvreemd wordt hij vaak genoemd. Hij heeft wel wat weg van de hoofdpersoon uit ‘Nirvana’. Bukowski’s gedicht gaat over een man die uit een bus stapt om koffie te drinken in een wegrestaurant. Terwijl de andere passagiers nauwelijks oog hebben voor hun omgeving, voelt hij de magie van het moment. Hij hoort de mooie lach van de afwashulp, waardeert de humor van de serveerster en geniet van het eten. Eigenlijk zou hij er voor altijd willen blijven.

Ook Waits weet vaak schoonheid te vinden op plaatsen waar de meesten zo snel mogelijk vandaan rennen. „Als schrijver ben je voortdurend op zoek naar dingen die je niet hoort te zien”, zegt hij. „Ik zal altijd de kerel vinden die tussen het onkruid ligt te slapen, ook al scheur ik met 130 kilometer per uur aan hem voorbij. Zet een man met één been in een menigte en ik zie hem. Op de een of andere manier loop ik altijd dat soort types tegen het lijf. Het idee om deze plaat Orphans te noemen, heeft daar ook mee te maken. Het zijn liedjes die over het hoofd zijn gezien. Het zijn weesliedjes. Ik heb ze geschreven toen iedereen al naar bed was.”

Met Orphans zegt Waits ook: dit zijn mijn helden. Er staan odes op aan Kurt Weill (‘What Keeps Mankind Alive’), Daniel Johnston (‘King Kong’), Jack Kerouac (‘On The Road’) en Leadbelly (‘Fannin Street’). De ene keer zingt hij hikkerig als Elvis Presley, dan weer theatraal als Frank Sinatra of hees als Bruce Springsteen. En hoewel hij al jaren droog staat, kan hij nog altijd klinken als een brallende dronkenlap die er na sluitingstijd een Ierse ballade uitperst.

Maar hij zíngt. En dat is een grote verandering ten opzichte van zijn vorige cd, Real Gone, waarop hij zijn stem inzette als beatbox. In het tekstboek van Orphans verontschuldigt Waits zich er zelfs voor. „Ik denk dat je er meer zang en dans vindt dan anders”, schrijft hij. „Maar ik hoop dat de fans van meer gegrom, gekweel, geblaf en gekrijs ook niet teleurgesteld zullen zijn.”

Waits: „De meeste zangers geven slechte imitaties van andere zangers. Maar ze halen het nooit bij de echte. Ray Charles wilde klinken als Nat King Cole, maar realiseerde zich op een gegeven moment dat hij alleen als zichzelf kon klinken. Toen ik jong was, wilde ik klinken als Ray Charles, Elvis Presley, James Brown, Bob Dylan en John Lennon. Nu ben ik gewoon mezelf. Dat hoort bij het ouder worden. Je houdt ermee op om op anderen te willen lijken. Als ik nu naar mijn eigen werk uit mijn begintijd luister, is het alsof ik naar babyfoto’s kijk. Dan schaam ik me ervoor.”

Even dwaalt zijn blik af richting koeien. „Weet je”, zegt hij dan. „Alles is er nog. Als jij vanavond langs de spoorrails wilt slapen, als je een kampvuur wilt stoken en een hotdog wilt eten om daarna de zonsondergang tegemoet te lopen, dan kan dat.”

Hij is een hopeloze romanticus, geeft Waits toe. („Ik ben sentimenteel, het is een vloek.”) En hoewel hij al een kwart eeuw gelukkig getrouwd is met Kathleen Brennan, die zijn platen produceert en meeschrijft aan zijn teksten, zingt hij ook op Orphans weer veel over verloren liefdes en ander leed. Zijn teksten gaan over moorden en gevangenissen, over ontrouw en verraad, over treurwilgen en vertrapte rozen. De maan is een graag geziene gast in zijn liedjes, en op de een of andere manier lijkt het in zijn wereld altijd te regenen. „Ik weet niet waarom dat is”, zegt Waits. „Het is gewoon waar mijn gedachten heengaan. Het land van de ellende is mijn domein, mijn territorium. Dat is waar ik vandaan kom. Ik wilde altijd dieper, dieper en dieper omlaag.

„Mijn theorie is dat een songtekst bepaalde ingrediënten nodig heeft. Er moeten altijd een weersomstandigheid, een plaatsnaam en iets eetbaars in zitten. Daardoor geef je zo’n tekst een specifieke plek en een specifieke sfeer, en trek je het publiek mee naar binnen. Liedjes zijn toverspreuken. Je probeert de luisteraars te betoveren en jouw wereld te laten betreden. Titels zijn trouwens ook erg belangrijk. Ik verzamel ze.” Hij haalt een papiertje uit zijn borstzak waarop in een kriebelhandschrift aantekeningen staan. „Kijk, deze heeft mijn vrouw net bedacht: ‘She Stole the Blush From a Rose’. Dat is al bijna een lied. Of: ‘Life Will Be Different In Chicago’. Daar kun je ook zo iets bij verzinnen. Ik heb ook al een titel voor mijn volgende cd: Sting ’m and Go. Dat wordt een rockabilly-plaat.”

Vaak vindt Waits de inspiratie

voor zijn teksten in krantenberichten. Hij is dol op „vreemde en ongebruikelijke” feiten, zegt hij. Daarom staat het tekstboekje van Orphans vol met knipsels van soms een eeuw oud, die vertellen over de laatste woorden van stervende beroemdheden als Goethe en Edward IV, of over ‘nuttige uitvindingen’ als het ijzerdraad en de gesp. „Overlijdensadvertenties zijn ook erg bruikbaar”, vertelt Waits. „Dan zeg ik: over deze persoon ga ik een lied maken, nu hij er niet meer is.”

Even is het stil, en dan zegt hij opeens: „Wist je dat de eerste man op de maan, Neil Armstrong, zei dat de maan naar vuurwerk rook? Ze hadden hem gevraagd hoe het daarboven rook. Hij antwoordde: ‘It smells like firecrackers.’ Dat vind ik interessant.”

Waits staat op om een nieuw kopje heet water bij Evert te bestellen. „Ik heb erover gedacht om deze tent te kopen”, vertelt hij. „Evert zit diep in de schulden omdat hij een illegaal woonwagenkamp runde en daarvoor een flinke boete heeft gekregen. Ik dacht dat ik het restaurant zou kunnen gebruiken als opnamestudio. Maar het mag niet van mijn vrouw. Het ligt aan een doorgaande weg, zegt ze, en dan stoppen er voortdurend mensen. Nu heb ik een brief aan de sheriff geschreven met de vraag of hij de boete wil verlagen. Ik ken Evert al zeventien jaar, hij doet geen vlieg kwaad.”

Bij het afscheid vraagt Waits nog even bezorgd of ik wel genoeg heb om over te schrijven. „Soms word ik nerveus van het idee dat jullie zo’n afstand moeten overbruggen. Dan hoop ik maar dat hier iets interessants te vinden is. Ben je al in San Francisco geweest?” Ik antwoord dat ik de vorige avond heb doorgebracht in een bar waar toevallig zijn muziek uit de jukebox schalde. „Echt waar?” Waits klinkt verrast. „Welke plaat?”

„‘Gun Street Girl’ van Rain Dogs.”

Waits begint de melodie te neuriën en terwijl we de keuken in lopen, trommelt hij op Everts vaatwerk en geeft hij met zijn raspende stem een persoonlijke toegift: „I said John, John, he’s long gone/ Gone to Indiana, ain’t never coming home.”

Orphans verschijnt op 20 november bij Anti (Epitaph).