Couturiers van glas en steen

Brooke Hodge: Skin + Bones. Parallel Practices in Fashion and Architecture. Thames & Hudson, 271 blz. €59,50

Claudio Mareco Mores: From Fiorucci to the Guerrilla Stores. Shop Displays in Architecture, Marketing and Communications. Marsilio Editori, 175 blz. €16,–

Lang koesterden architecten verachting voor mode. Typerend voor deze houding is de uitspraak van Le Corbusier die, hoewel hij was getrouwd met een model, stijl en mode ‘niets meer dan een veer in een vrouwenhoed’ noemde. Het dédain voor mode kwam voort uit de beroepsopvatting van architecten als Le Corbusier: hun gebouwen waren voor de eeuwigheid bedoeld en konden dus niets te maken hebben met mode, die het volgende jaar alweer achterhaald is.

Maar tegenwoordig is mode onder architecten in de mode. Ben van Berkel en Rem Koolhaas getuigen van hun belangstelling, en een keur aan toparchitecten, onder wie Herzog en De Meuron en Frank Gehry, ontwerpt winkels voor modemerken als Prada. Deze mode-architectuur is het onderwerp van From Fiorucci to the Guerrilla Stores, een in het Engels vertaald boek van de Italiaanse architect Claudio Marenco Mores. Mores laat zien dat Fiorucci eind jaren zeventig begon met het inzetten van architectuur om zijn merk een bepaald imago te verlenen. De Fiorucci-winkels in Milaan en andere steden waren veel meer dan verkooppunten: ze moesten een bepaald levensgevoel uitdrukken.

Fiorucci’s voorbeeld werd gevolgd door andere modemerken. Nu is er nauwelijks een merk dat niet een toparchitect inhuurt om winkels te ontwerpen. Prada ging zelfs nog een stap verder en laat zich nu door Rem Koolhaas ook adviseren over image-building. Hiermee heeft de architectuur voorgoed het domein van branding betreden, zo betoogt Mores aan het eind van zijn boekje.

From Fiorucci to the Guerilla Stores heeft alles wat architectuurboeken zo verschrikkelijk kan maken. Het bestaat uit hakkelend proza, doorspekt met citaten van Paul Virilio en andere Franse filosofen wier werk om een of andere reden indruk maakt op architecten. Veel beter is Skin and Bones, een luxe uitgegeven boek dat hoort bij een tentoonstelling over mode en architectuur die dit jaar was te zien in Los Angeles en Tokyo. Drie essays en een groot aantal kleurenfoto’s van kleding, gebouwen en mode- en architectuurontwerpen moeten laten zien dat de verwantschap tussen architectuur en mode steeds nauwer wordt. Van oudsher is de ‘bekleding’ van gebouwen een belangrijk onderdeel van architectuur, zo betoogt Brooke Hodge, conservator architectuur van het Museum of Contemporary Art in Los Angeles, en dat is nu meer dan ooit het geval. Nieuwe buigzame bouwmaterialen en computerprogramma’s maken het architecten mogelijk om als kledingontwerper te werk te gaan en geplooide muren (skin) over een bouwskelet (bones) heen te draperen.

Toch ligt de tijd dat de ontwikkelingen in de architectuur en de mode strikt parallel liepen alweer een jaar of vijftien achter ons. In twee essays beschrijven Patricia Mears, conservatrice van het Fashion Institute in New York, en Hodge hoe in de jaren tachtig het ‘deconstructivisme’ niet alleen opdook in de architectuur, maar ook in de mode. Terwijl het Museum of Modern Art in New York in 1988 met een tentoonstelling van het werk van onder anderen Zaha Hadid, Koolhaas, Peter Eisenman en Gehry het deconstructivisme uitriep tot de nieuwe international style in de architectuur, werd het begrip ook gebruikt om de kleding te omschrijven van vooral Japanse en Belgische mode-ontwerpers. Zoals de ontwerpen van Libeskind en Hadid wilde collages waren van schots en scheve vormen en materialen, zo bestond kleding van Kawakubo en Yamamoto uit over elkaar heen gelegde lappen waarin soms scheuren zaten. Het deconstructivisme bleek overigens een echte mode: geen architect of mode-ontwerper heeft het er nu nog over.