Bloemlezing van feministische kunst

Wie dacht dat feministische kunst sinds de jaren tachtig was uitgestorven, heeft het mis. Ze bestaan nog, de vrouwelijke kunstenaars die zich uitdrukken met punnikwerk en kantkloskunst om zo een statement te maken over vastgeroeste rolpatronen. Die hun eigen lichaam in de strijd gooien om kanttekeningen te plaatsen bij de rol van het vrouwelijk naakt in de kunstgeschiedenis. En die hun woede op het mannelijk geslachtsorgaan afreageren in tekeningen vol fallussen.

De in Wenen woonachtige kunstenaar Katrina Daschner (Hamburg, 1973) doet het allemaal. Haar tentoonstelling in de Upstream Gallery in Amsterdam oogt als een bloemlezing van feministische kunst. Bij de ingang hangt een groot wit doek waarop twee grillige gekantkloste vormen zijn geplakt. „Dat zijn utopische landen”, verklaart de galeriehouder. „Plekken waar gender-issues geen rol spelen.” Op de landkaart zijn beelden geprojecteerd uit een Egyptische film uit de jaren twintig. Een buikdanseres doet haar kunstjes voor een groepje uitgelaten matrozen. Aan het eind flirt ze openlijk met de kapitein, die een vrouw blijkt te zijn. Dat kon toen nog, tachtig jaar geleden, in Egypte.

Aan de overzijde hangen twee intrigerende foto’s van getatoeëerde vrouwen. „Angst essen Seele auf” heeft de een op haar arm laten schrijven, als een verwijzing naar Fassbinders film uit 1974. ‘Nacktes Leben’ staat er bij de ander op de binnenkant van haar dij. De woorden zijn in zakelijke typemachineletters geschreven, een gewoonte die blijkbaar gangbaar is in de lesbische scene in Wenen. Daschner fotografeerde de lichaamsdelen van de stoere vrouwen tegen een achtergrond van een truttig tafelkleed of een verwassen bloemetjesdekbed, wat dan weer een grappig contrast oplevert.

De titel voor haar tentoonstelling, Nature, nature I’m your bride, take me as I am, ontleende Daschner aan Virginia Woolfs roman Orlando (1928), over een Engelse aristocraat die eeuwenlang voortleeft en en passant van geslacht verandert. Net als Orlando maakt Daschner op haar tentoonstelling een tijdreis. In vogelvlucht trekt ze over de afgelopen eeuw en stipt onderweg aan hoe er in de verschillende decennia over man-vrouwverhoudingen werd gedacht.

Naast de Egyptische film uit de jaren twintig hangt een gehaakt tafelkleed uit de jaren dertig, door Daschner ingelijst samen met zweepje, sporen en stropdas. Burgerlijk en kinky gaan best samen, lijkt ze daarmee te willen zeggen. Even verderop hangt een oud kiekje uit Daschners eigen familiealbum, vermoedelijk uit de jaren veertig. Twee vrouwen, verkleed als bruid en bruidegom, geven elkaar een schuchtere omhelzing.

En dan is er nog de video Road (2005) in de kelderruimte, Daschners eigen interpretatie van Nabokovs roman Lolita uit 1955. De rol van Humbert Humbert, de leraar die verliefd wordt op de twaalfjarige dochter van zijn hospita, wordt nu gespeeld door een vrouw. Zwijgzaam zitten de twee in de auto, terwijl op de achterruit een Mexicaans landschap voorbijtrekt. Het meisje rookt een sigaret en kruipt dan tegen de oudere dame aan. De ondertiteling komt rechtstreeks uit Nabokovs roman: „Ze had mijn dochter kunnen zijn.”

Het is allemaal wat veel voor zo’n kleine expositie – al die invloeden, al die literaire referenties, al die verschillende disciplines. Daschner probeert zich een identiteit aan te meten door zich te spiegelen aan historische voorbeelden. Maar onderwijl lijkt ze zichzelf uit het oog te verliezen. In welke traditie de Weense kunstenaar zich graag geplaatst ziet, is overduidelijk. Nu moet ze nog een eigen stijl durven kiezen.

Katrina Daschner. T/m 25 nov in Upstream Gallery, Kromme Waal 11, Amsterdam. Wo t/m za 12-18u. Inl: 020-4284284, www.upstreamgallery.nl