Alles kunnen verklaren

Klavecinist, dirigent en organist Gustav Leonhardt geldt als de vader van het op authentieke wijze uitvoeren van oude muziek. Vorige week kreeg hij een oeuvreprijs. „Bij een cantate heb ik een dienende taak.”

‘De nieuwste muziek die ik ooit heb gespeeld is het late werk van Mozart. De grote symfonieën, de ouverture en het ballet van de opera Idomeneo dirigeerde ik bij het Londense Orchestra of the Age of Enlightenment. Dat deed ik met groot genoegen en ontdekkingsvreugde. Voor mij komt Mozart van achteren, de vernieuwingen in de Praagse symfonie zijn een revelatie. De kleine articulaties beginnen bij de late Mozart te vervagen.”

Diepgaande studie van articulaties in de muziek van vóór Mozart is een van de verdiensten waarvoor klavecinist, organist en dirigent Gustav Leonhardt (78) vorige week vrijdag de Oeuvreprijs kreeg van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties. Deze week moest hij wegens ziekte een serie concerten met de Nederlandse Bachvereniging afzeggen.

Leonhardt houdt zich al meer dan een halve eeuw uitsluitend bezig met het op ‘authentieke’ wijze uitvoeren van oude muziek. „Latere muziek dan van Mozart doet me weinig. Maar als ik Beethoven hoor, vind ik die subliem in vergelijking met tijdgenoten. Schubert ook. En dan houdt het bij mij eigenlijk op. Die negentiende-eeuwse muziek zelf uitvoeren? Dan moet ik daarop studeren. Op de orkesten van toen. Op de instrumenten uit die tijd. Op de notatie van de muziek. Op de omstandigheden destijds. Ik weet er niets van! En ik heb genoeg te doen in mijn tweeënhalve eeuw, van 1550 tot bijna 1800.”

Wie aan de Amsterdamse Herengracht binnenkomt in het Bartolotti-huis van Gustav Leonhardt betreedt het verre verleden, de Gouden Eeuw. Het monumentale huis uit 1617, beschouwd als een schepping van de architect en beeldhouwer Hendrick de Keyser, was destijds het grootste van Amsterdam, het mooiste en het bijzonderste. De frisse roodwitte Hollandse renaissancegevel buigt in drie delen mee met de bocht in de gracht. Het was het paleis van de familie Bartolotti, die eigenlijk Van den Heuvel heette. Guillelmo Bartolotti senior, koopman en bankier, was een van de rijkste Amsterdammers.

Gustav Leonhardt is een monument van het ‘authentieke’ musiceren, een van de pioniers van het op historisch verantwoorde wijze uitvoeren van oude muziek. Samen met Nikolaus Harnoncourt nam hij tussen 1971 en 1990 voor het eerst alle cantates van Bach op. Samen kregen ze in 1980 de Erasmusprijs. Leonhardt ís Bach. Hij speelde de componist, met pruik op, in de film Die Chronik der Anna Magdalena Bach (1968) van Jean-Marie Straub. Leonhardt lijkt ascetisch, streng en onverzettelijk, een aristocratisch musicus, een man van het verleden. In de praktijk is hij echter op muzikaal gebied welwillend en liberaal. En buitenshuis leidt hij een eigentijds leven.

Mensen die Leonhardt

vaker meemaken, vertellen daarover verrassende verhalen. Dat Oeti, zoals hij door zijn vrienden wordt genoemd, vroeger in een Porsche reed. Dat hij nu een Alfa Romeo heeft met sportvelgen en een sportstuurtje. Dat hij, als iemand anders rijdt, nogal eens aanzet tot het overschrijden van de maximumsnelheid. „Nee, er zijn hier geen flitsers.” Dat hij opdracht geeft tot ‘plankgas’ om het volgende stoplicht nog te halen. En dat hij zelf graag in Italië mag racen op een circuit van Ferrari.

Maar binnenin het statige en stille Bartolotti-huis is van zulke jongensachtige aandriften niets te merken. Gustav Leonhardt en de violiste Marie Leonhardt bewonen de ruime en rijk ingerichte stijlkamers aan het eind van een vierendertig meter lange marmeren gang. Leonhardt gaat voor naar een salon met een klavecimbel en verschaft kunsthistorische wetenswaardigheden. In de tuin staan antieke beelden, met vergulde details.

Een vorige keer dat ik hier was, lag er sneeuw die in het schemerduister zorgde voor een vreemd, zacht licht. Leonhardt verontschuldigt zich minzaam dat er nu geen vlokken vallen. Achter de huizen aan de Keizersgracht rijst de Westertoren op, tot de top in de steigers. „De Keizerskroon was voor de restauratie geel geschilderd. Nu zou hij met bladgoud zijn verguld. Ik ben benieuwd.”

Leonhardt toont zich content met de plaats die de ‘authentieke’ beweging in het muziekleven heeft veroverd. „Er is een miljoenenpubliek voor deze richting van uitvoering, met respect voor het kunstwerk. Maar nog veel meer miljoenen doen er nog niet aan mee. Er zijn ook zoveel collega’s bij gekomen, al zijn het niet allemaal genieën. Maar zo is het altijd geweest.”

Ton Koopman van het Amsterdam Baroque Orchestra klaagt over een structureel gebrek aan subsidie en waardering bij de overheid. Daarvan wil Leonhardt weinig weten. „Ik wil niks zeggen, hij is een oud-leerling van mij, maar het is ook wel een truc om te dreigen naar Bordeaux te vertrekken. Ik vind dat je niet helemaal moet afgaan op de overheid, je moet ook zelf wat moeite doen. Het is niet slecht om tegen de klippen op te gaan. Niet alles kan.”

Merkwaardig is dat er in dit oude-muziekland zo weinig jonge Nederlandse musici daarvoor belangstelling hebben. Van de tweehonderd ‘authentieke’ leerlingen op het Haagse Koninklijk Conservatorium zijn er maar elf Nederlands. Leonhardt heeft er geen verklaring voor. Als jurylid van buitenlandse concoursen ziet hij daar wel grote aantallen serieuze jonge musici. Zelf heeft hij al vijftien jaar geen leerlingen meer. „Ik geef misschien nog één les per jaar, aan een wilde vogel uit Amerika, die dat wil.”

Leonhardt legt uit dat hij nooit school heeft willen maken en dat zijn manier van lesgeven niet was gebaseerd op het instrument, maar op de muziek. „Een instrument is voor mij echt alleen maar een instrument, een middel, geen uitgangspunt. Mijn leerlingen spelen heel verschillend, ik heb ook nooit een stuk voorgespeeld. Ik heb hen hopelijk aan het denken gezet. Waarom doe je dit zo, terwijl je daarnet iets anders deed? Je moet alles kunnen verklaren. Bij een goed antwoord houd ik mijn mond. Anders komt er een gesprekje. En of hij het dan doet of niet kan mij niet schelen. Je moet zelf tot een opinie komen en niet napraten.

„Leerlingen houden je levendig, ze komen met nieuwe ideeën. Afgezien van de concerten met het Leonhardt Consort en het trio met Frans Brüggen en Anner Bijlsma, beide al lang geleden, speel ik al mijn hele leven bijna alleen solo. Dat is een soort droomwereld, heel irreëel. Er zijn geen problemen, geen conflicten, de beste hotels, alles is perfect. Je moet alleen goed spelen. Dat is het enige.”

Binnen de ‘authentieke’

wereld bestaat een waaier aan opvattingen over hoe het zou moeten. Die gaat van fundamentalisten en rechtzinnigen tot liberalen en vrijzinnigen. Leonhardt heeft het imago van stijl en rechtzinnig, terwijl Harnoncourt ook wereldberoemde symfonieorkesten met eigentijds instrumentarium dirigeert, zelfs in Bachmuziek. Bij een Matthäus Passion kijkt Leonhardt bij het opkomen of afgaan nooit naar het publiek, er mag niet worden geapplaudisseerd. „Het heeft te maken met geloof, ik ben protestant, dat maakt een groot verschil. Bij een passie, een Hohe Messe, een cantate, kerkmuziek heb ik een dienende taak, dan speelt succes geen rol. Harnoncourt en ik hebben andere mentaliteiten. Hij neemt het compromis op de koop toe, om iets te verbeteren. Dat keur ik niet af, maar zelf doe ik het niet.”

Over geschiedenis en restauratie van het Bartolotti-huis schreef Leonhardt in 1979 een boek. Opvallend zijn de passages waarin hij aan de overkant van de gracht gaat staan, naar het huis kijkt en een aantal onvolkomenheden ontdekt. Hij concludeert dan dat het niet gebouwd kan zijn door een groot architect als Hendrick de Keyser.

Leonhardt: „Dat vind ik nog steeds. Iemand van Monumentenzorg zei een maand geleden nog dat het niet van De Keyser kan zijn. Ook het ‘Huis met de hoofden’ aan de overkant niet. Veel geleerde architectuurhistorici zeggen nog steeds: De Keyser. Ik ben op dit gebied een dilettant. Maar ik heb argumenten. Het was het grootste huis dat in die tijd in Amsterdam was gebouwd. Maar het staat niet in zijn lijst met werken. Het is wel in zijn stijl.”

Voor Leonhardt, die allerlei functies had in de monumentenzorg, is de zorg voor oude gebouwen en oude muziek identiek. „Ik reconstrueer oude muziek, zoals van Bach, waarin tijdens de negentiende eeuw vreemde ideeën waren geslopen. Net als bij dit huis, dat zo geleden had. Tegenwoordig moet bij Monumentenzorg het verleden interessant zijn, mooi doet niet terzake. Daar gaat het niet om. Als we iets ouds willen bewaren, is het omdat het ons nog wat doet. Net zoals bij muziek: er is geen plicht om Sweelinck of Bach te spelen. Maar als je het doet moet je kijken: wat zou het hebben kunnen zijn? Volgens Monumentenzorg moet alles wat er is gebeurd, blijven. Want het is geschiedenis. Nou, als de geschiedenis wat lelijks maakt, kan die van mij opdonderen!”

Woedend is Leonhardt over de jarenlange discussie over de restauratie van het Vater-orgel in de Amsterdamse Oude Kerk, waarbij hij adviseur was. „De restauratie is afgeketst omdat Monumentenzorg de verbouwing uit 1870 wil behouden. Ze vinden het interessant hoe men in 1870 dacht over een barokorgel! Maar toen is het gemaltraiteerd. Je hoort nog dat het een prachtinstrument is, maar het is slap, een vaatdoek. Terwijl je het zó kunt restaureren. In Göteborg hebben ze pas een totaal nieuw Schnitgerorgel gebouwd. Ik heb daarop het eerste concert mogen spelen. Heel indrukwekkend. Volkomen authentiek!”