Watercrisis dodelijker dan terreur

De jaarlijkse kosten van ‘de watercrisis’: 1,8 miljoen overleden kinderen, verlies van vijf procent van het nationaal inkomen in arme landen, ruim 400 miljoen gemiste schooldagen.

Rotterdam, 9 nov. - In de lange hete zomer van 1858 staakten de parlementsleden in Londen hun vergaderingen. De stank in Westminster, vonden ze, was ondraaglijk geworden. De vuilnisbelten aan de rand van de Britse hoofdstad – waar de industrialisatie zorgde voor een snelle bevolkingsaanwas – konden het afval niet meer aan. De vervuiling kwam in de wijken terecht waar de armen woonden en ook in de Theems, de drinkwaterbron voor de hele stad. Ziekte en dood waren het gevolg.

In 1842 had Edwin Chatwick in zijn Report on the Sanitary Condition of the Labouring Population of Great Britain hiervoor al gewaarschuwd. Hij schreef dat het dodental door de beroerde leefomstandigheden in de Britse steden aanzienlijk hoger lag dan het aantal doden door oorlogen. Hij bepleitte voor ieder huishouden een eigen kraan en een latrine met aansluiting op de riolering. Het duurde nog jaren voordat daadwerkelijk actie werd ondernomen – rond 1890 overleden 160 van alle duizend baby’s kort na hun geboorte. Pas toen volgde een immense investering in waterleidingen en riool en binnen één generatie daalde de kindersterfte naar minder dan 100 per duizend geboortes en steeg de levensverwachting met meer dan tien jaar (van 50 naar 60 jaar).

Honderdvijftig jaar later hoeven de Londenaren niet meer bang te zijn dat ze ziek worden als ze water drinken. Maar Chadwicks rapport is nog steeds actueel. Het is te lezen als een beschrijving van de situatie in veel Afrikaanse landen. In Nigeria ligt de kindersterfte nu rond de 160 per duizend. Nigerianen worden gemiddeld niet ouder dan 44 jaar. De arme bevolking kampt met een ernstig tekort aan drinkwater en met gebrekkige sanitaire voorzieningen.

De UNDP, de ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties, heeft vanmiddag haar jaarlijkse rapport gepubliceerd, dit jaar met als thema: water en armoede. Net als Chadwick schrijven de auteurs dat de watercrisis „meer levens kost door ziektes, dan alle oorlogen samen door wapens”. Ze noemen het gebrek aan toegang tot veilig water „een stille crisis die de armen raakt en die wordt toegestaan door degenen die beschikken over de middelen, de technologie en de politieke macht om er iets aan te doen”. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd is er volgens het rapport water genoeg. Dat 1,1 miljard mensen onvoldoende toegang hebben tot schoon drinkwater en 2,6 miljard mensen niet beschikken over goede sanitaire voorzieningen, is dan ook het gevolg van zwakke instituties en foute politieke keuzes. „Armen krijgen minder [water], betalen er meer voor en dragen de lasten van de kosten van menselijke ontwikkeling als gevolg van toenemende schaarste.”

Jaarlijks sterven 1,8 miljoen kinderen door slecht drinkwater en slechte sanitaire voorzieningen. „Geen terreurdaad leidt tot een dergelijke economische verwoesting.” Dat de watercrisis desondanks laag op de politieke agenda staat, komt doordat de getroffenen geen invloedrijke woordvoerders hebben. Vergeleken met de slagvaardigheid waarmee de rijke landen hebben gereageerd op de aids-crisis – toen die nog vooral het Westen leek te treffen – of op de dreiging van SARS en vogelgriep, is de reactie op het (veel grotere) waterprobleem bescheiden. Dat terwijl de Verenigde Naties de toegang tot ten minste twintig liter schoon water per dag als een mensenrecht hebben betiteld. Mensenrechten zijn geen vrijwillige bepalingen, aldus het rapport, maar bindende verplichtingen.

Het rapport becijfert de gevolgen van de watercrisis:

Dagelijks sterven 4.900 kinderen door ziektes als diarree en dysenterie.

Kinderen missen jaarlijks in totaal 443 miljoen schooldagen.

Ongeveer de helft van de totale bevolking in arme landen kampt met gezondheidsproblemen.

Miljoenen mensen, vooral vrouwen, zijn dagelijks uren bezig met het verzamelen van drinkwater.

Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara lopen jaarlijks 28,4 miljard dollar aan inkomen mis. Dat is meer dan ze aan ontwikkelingshulp ontvangen.

Armen betalen gemiddeld vijf tot tien keer meer voor hun drinkwater dan rijken; vaak zijn de armen voor hun water aangewezen op (dure) particuliere bedrijven.

Aansluiting op het waterleidingnet zou drinkwater aanzienlijk goedkoper maken, maar is voor het armste deel van de bevolking vrijwel onbetaalbaar.

De aanpak van de watercrisis wordt urgenter naarmate water zelf schaarser wordt. Hoewel volgens de VN-rapporteurs het water op de wereld nog lang niet opraakt, leiden klimaatverandering en andere milieuproblemen wel tot toenemende onzekerheid. Nu leven ongeveer 700 miljoen mensen in gebieden met wat wordt genoemd ‘waterstress’, in 2025 zijn dat er naar verwachting drie miljard. Dat is niet alleen het gevolg van een groeiende wereldbevolking, maar ook van een toenemende vraag naar water. De waterbehoefte is in de afgelopen eeuw twee keer zo snel gegroeid als de wereldbevolking.

Het overnemen van de aanbevelingen van Edwin Chatwick aan het eind van de negentiende eeuw door de Britse regering was een katalysator voor de ongekend snelle verbetering van de leefomstandigheden van de Britten. Ook nu levert, volgens het UNDP-rapport, iedere dollar die wordt besteed aan verbetering van watervoorzieningen acht dollar op aan vermeden schade en groei van productiviteit in ontwikkelingslanden.