Niet de popster uithangen

Zijn publiek vult Ahoy én de Arena, maar bijna niemand kent hem.

Arie Abbenes is beiaardier.

Beiaardier Arie Abbenes. „Voor wie ik speel, dat zijn toch wel Marco Borsato-aantallen.” Foto Merlin Daleman Arie Abbenes, Bijadier van de Domtoren. Utrecht, 03-11-06 © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Hij is een musicus in ambtelijke dienst, zegt Arie Abbenes (62). Al 21 jaar. Onlangs is hij gestopt als docent aan het conservatorium, maar beiaardier wil hij nog wel een tijdje blijven. Hij bespeelt op vrijdag- en zaterdagmiddag het carillon van de Utrechtse dom. „Veel mensen hebben me wel gehoord maar nog nooit gezien.” In de buurt, Abbenes woont om de hoek van de Dom, kennen ze hem wel. „Ik had een keer een Bach cantate gespeeld ’s middags. Toen lag er de volgende ochtend een kaartje op de mat om me te bedanken.”

Abbenes beklimt de trappen van de tachtig meter hoge toren met een regelmatige tred. Hij stopt en gaat voor door een klein deurtje. Erachter het uurwerk, „uit 1859”, en de luidklokken. „Toezicht houden op de staat van onderhoud van de toren hoort ook bij mijn betrekking.” Hij zag de vacature in de krant staan. „Er waren veertig sollicitanten en we moesten voorspelen. Ik werd het. Dit is de mooiste beiaardiersbaan die je kunt krijgen. Het carillon leeft hier in Utrecht weer, de toren is erg bekend en de klokken hangen hoog. Het geluid zwermt uit over de hele stad.”

Hoe word je beiaardier? „Ik woonde in Hilversum en de beiaardier daar nam me mee op de toren van het stadhuis. Ik was zeventien en het fascineerde me meteen. Later ben ik naar de beiaardschool in Mechelen gegaan. In 1967 kreeg ik mijn eerste betrekking als beiaard, in Asten.” Hij speelt er nog steeds wekelijks.

Abbenes vertelt dat hij dit weekend op de Dom de clubliederen van een Utrechtse studentenvereniging zal spelen. „Ze hebben me gevraagd vanwege een lustrum. Als ik kan bijdragen aan de feestvreugde is het altijd goed. Ik ben musicus, maar in dienst van de gemeenschap. Je moet alles kunnen. Ik speel Italiaanse barokmuziek, maar ook Zij gelooft in mij.”

Tientallen treden hoger opent Abbenes weer een deurtje, naar de speeltrommel. Die zet het carillon ieder kwartier in werking voor een korte melodie. Hij haalt een rode hendel los en de klokken beginnen te spelen. Het is pas tien over. „Nu raakt het volk in de war”, zegt hij met een lachje. Een houten trappetje leidt naar het klavier. Abbenes gaat zitten en bespeelt de houten hendels met zijn vuisten. De klokken klinken boven de stad. Is hij wel eens nerveus? „Nee. De ene keer gaat het beter dan de andere, maar je moet altijd zorgen dat het niveau goed is. Je weet nooit wie er luistert. De mensen horen het op straat en in hun huizen. Dat zijn toch wel Marco Borsato-aantallen.” Maar hij is lang niet zo bekend. „Klopt. Het is een leuk baantje, maar je moet er het karakter voor hebben. Je moet niet de popster willen uithangen.”

Luister naar Arie Abbenes op:www.nrc.nl/bekend