Mozart lieflijk als de lentewind

Concert: London Symphony Orchestra o.l.v. John Eliot Gardiner m.m.v. Leif Ove Andsnes, piano. Gehoord: 8/11 Concertgebouw Amsterdam

John Eliot Gardiner was in de jaren ’80 en ’90 mateloos populair in ons land. De ‘authentieke’ Britse dirigent met een repertoire uit vier eeuwen kreeg meer Edisons dan hij op zijn platenkast kwijt kon. Ook was hij een frequente gast op het Holland Festival.

Tegenwoordig komt Gardiner, die „erg duur” tot „veel te duur” heet te zijn, aanmerkelijk minder, zij het nog wel regelmatig in Rotterdam, waar hij een gulle sponsor is. Maar gisteren was Gardiner weer eens in Amsterdam met het London Symphony Orchestra en vlak voor kerst is hij terug in het Concertgebouw voor een Bach-concert met zijn English Baroque Soloists en het Monteverdi Choir.

Bij het LSO, dat in drie formaties aantrad, kwam Gardiner met een opmerkelijk programma: Tsjechische muziek van Martinu en Dvorák rond Mozarts Pianoconcert nr 17 KV 453. De veronderstelling dat pianosolist Leif Ove Andsnes ook zou meespelen in het neo-classicistische Concert voor piano, pauken en dubbelstrijkorkest van Martinu (1938), kwam niet uit. Dat gebeurde door een orkestlid dat ik later terugzag als violist.

Het concert van Martinu, in de schaduw van Stravinsky’s tien jaar oudere balletmuziek Apollon musagète klonk met een erg dicht stemmenweefsel; een halvering van de kamerorkesten was op zijn plaats geweest. Mozart klonk in kleine bezetting met een uiterst bescheiden Andsnes als een lentewindje, klein, liefelijk, speels en met het vogelgekwetter dat Mozart aan zijn spreeuw leerde.

In de Achtste symfonie van Dvorák verscheen het LSO eindelijk als symfonieorkest. Het speelde krachtig, soms al te stevig, maar in het laatste deel wel heerlijk uitbundig en carnavalesk uitgelaten.