Motto wordt nu: vertrek uit Irak

Met het vertrek van Rumsfeld als minister van Defensie komt in het Pentagon ruimte voor een nog niet uitgesproken woord: exitstrategie, betoogt David Ignatius.

Hoge militairen spraken van ‘the 7.000 mile screwdriver’. Daarmee beschreven ze de neiging van minister van Defensie Donald Rumsfeld om zich te bemoeien met de nietigste aspecten van de oorlog in Irak als ze hem interesseerden. Een schroevendraaier in Washington van 11.000 kilometer lang.

En dat is een van de redenen waarom de militairen vandaag blij zullen zijn dat Rumsfeld weggaat – misschien nog wel blijer dan de Democraten, die al meteen een scalp voor hun verkiezingsoverwinning hebben geëist.

Tot het eind toe, zelfs toen Rumsfeld moet hebben geweten dat zijn dagen geteld waren, weigerde hij af te zien van de mogelijkheid om op de stoel van zijn bevelhebbers te gaan zitten. Toen marinegeneraal James Jones, de NAVO-commandant wiens tijd erop zat, een paar weken geleden met Rumsfeld ging praten over een post als commandant van Centcom (het Amerikaanse opperbevel), vroeg hij of Rumsfeld van plan was vast te houden aan zijn directe communicatielijn met de bevelhebber ter plaatse, generaal George Casey, soms met voorbijgaan aan Centcom. Toen Rumsfeld dergelijke contacten niet wilde uitsluiten, ging Jones twijfelen of hij de post bij Centcom wel zou aannemen. En toen Rumsfeld zei dat hij geen wezenlijke veranderingen in de strategie in Irak voorzag, trok Jones zijn kandidatuur in.

Er komen wel degelijk veranderingen in Irak, en het vertrek van Rumsfeld is bij wijze van spreken het uiterlijke, zichtbare teken van een innerlijk geestelijk proces. De regering-Bush is zich de laatste weken – in het diepste geheim – de vraag gaan stellen die tot nu toe niet mocht worden uitgesproken: werkt de strategie in Irak? Kunnen we onze doelstellingen bereiken met de middelen die we hebben? En zo niet, hoe passen we de middelen en doelstellingen zo aan dat ze wel op elkaar aansluiten?

Rumsfeld is al minstens drie jaar het symbool van een oorlog waaraan hij twijfelt, al sinds zijn befaamde memo waarin hij voorspelde dat Irak een ‘lange, zware klus’ zou worden. Dat memo illustreerde de intellectuele stijl van Rumsfeld: hij vroeg zich af of de Amerikaanse tactiek sneller nieuwe terroristen voort zou brengen dan we de bestaande doodden en mijmerde: ,,Zijn de veranderingen die we teweegbrengen en hébben teweeggebracht te bescheiden en marginaal? Ik heb de indruk dat we nog niet echt een doorbraak hebben bereikt, ook al hebben we tal van zinnige, logische stappen in de goede richting gezet, maar gaan ze wel ver genoeg?”

Dat was de positieve kant van Rumsfeld – de bereidheid geijkte opvattingen ter discussie te stellen, de neiging om de stokpaardjes van de militairen ter discussie te stellen, zoals het plan om een monsterlijk kanon te bouwen (met de slecht gekozen naam ‘de kruisvaarder’), dat op elk modern slagveld moeilijk snel te verplaatsen zou zijn. Rumsfeld was ervan overtuigd dat het leger mobieler en beweeglijker moest worden. Het leger aanvaardde een aantal van zijn denkbeelden over een dergelijke omvorming, maar diep van binnen waren de generaals van mening dat zijn beleid het leger kapot zou maken. Vreemd genoeg waren het de generaals die Rumsfeld in het zadel hielden.

Het Witte Huis had dit voorjaar besloten dat het tijd werd voor een verandering in het Pentagon en het maakte zich al op om Rumsfeld met het slechte nieuws te confronteren toen op de opiniepagina’s van de kranten de ‘generaalsopstand’ uitbrak, waarbij oud-militairen in de rij stonden om hun voormalige baas te kritiseren. Het Witte Huis besloot niet de schijn te willen wekken dat het boog voor druk en bond in.

Rumsfelds gave was zijn intelligentie en intellectuele hardheid. Hij zwichtte niet, ook niet toen de oorlog in Irak van kwaad tot erger ging. Daarin was hij zelfs nog harder dan een van zijn voorgangers, Robert McNamara, die in het laatste jaar dat hij de Vietnam-oorlog leidde gaandeweg persoonlijk onder de druk bezweek.

Rumsfeld volgde de wet van het schoolplein: laten ze je nooit zien zweten. Maar de negatieve kant van Rumsfeld overheerste zodanig dat maar weinig mensen zich de positieve kant zullen herinneren.

Robert Gates zal de aandachtige stijl van de luisteraar inbrengen. Begin jaren tachtig klom hij op bij de CIA door zich voor zijn baas William Casey onmisbaar te maken. Hij was de slimste sovjetanalist bij de dienst, dus benoemde Casey hem algauw tot adjunct, die toezicht hield op zijn medeanalisten. Gates studeerde sovjetstudies aan Georgetown en ik heb zijn proefschrift eens doorgeworsteld. Het was een degelijk, serieus stuk werk – goed, maar niet opvallend. Rumsfeld zou het misschien als een lange, zware klus hebben omschreven. Maar het illustreerde wel de beste eigenschappen van Gates: zijn intellectuele ernst, zijn professionalisme, de onpartijdigheid die een goede ambtenaar eigen dient te zijn.

Gates vertegenwoordigt de promotie van mensen en ideeën uit de tijd van vader Bush onder zoon Bush. Bush sr. redde Gates nadat hij in 1987 wegens zijn rol in het Iran-contra-schandaal als CIAdirecteur was afgewezen en haalde hem bij de Nationale Veiligheidsraad, waarna hij hem in 1991 alsnog tot CIA-directeur benoemde. Gates is geen solist, maar een teamspeler – een eigenschap die Rumsfeld vaak miste.

Gates zal een andere aanpak volgen, en dat zou de komende maanden wel eens een beslissende factor kunnen zijn. Hij keerde terug in de schijnwerper van de regering-Bush door zijn werk als lid van de Studiegroep Irak, onder leiding van James A. Baker III – minister van Buitenlandse Zaken onder Bush sr. – en oud-lid van het Huis van Afgevaardigden Lee Hamilton. Gates belichaamt de poging van deze groep om een eendrachtig beleid inzake Irak te bedenken. In die zin zal hij naar het Pentagon gaan met een onzichtbaar motto dat in één woord kan worden samengevat: ‘exitstrategie’. Hij zal niet snel of met onnodige gevaren uit Irak weg willen, maar anders dan Rumsfeld zal hij het probleem niet afhouden.

David Ignatius is columnist. © Washington Post Writers Group