Je eigen chateautje, het kán

Een romantisch idee: een hotel beginnen in Frankrijk. Maar als je de televisie moet geloven, is zo’n project gedoemd te mislukken. Uit een boekje van twee Belgen blijkt dat het juist vaak goed gaat.

Televisiedocumentaires en docusoaps zoals Ik vertrek zijn momenteel een trend. Ze handelen over Nederlanders of Engelsen die zich in landen als Frankrijk of Tsjechië vestigen. Je leeft mee met eindeloze zoektochten en de ellende die ermee gepaard gaat, soms door een tenenkrommende naïviteit. Huizen blijken krotten, landbouwgrond onvruchtbaar, makelaars onbetrouwbaar, contracten kloppen niet, het nieuwe beroep blijkt moeilijker dan gedacht of ‘de pioniers’ krijgen de plaatselijke monumentenzorg op hun dak met peperdure consequenties.

Maar het is niet alles kommer en kwel. Zo zijn er talloze Nederlanders die zich succesvol in de Franse toeristenbranche ‘hebben ingevochten’. Dit blijkt uit de nieuwe versie van Thuis in la douce France, logeren bij Nederlanders in Frankrijk (een boek met honderd overnachtingsadressen van de Belgische journalist Peter Jacobs en horecaspecialist Erwin de Decker). Hollanders beginnen er Chambres d’Hôtes, Bed & Breakfasts en charmehotels (hotelletjes met een persoonlijke benadering) .

Jacobs en De Decker troffen een ‘Laura Ashley Château’ in Normandië, een ‘Allo ‘Allo-hotel (ontmoetingspunt van het dorp in jarenveertigstijl) net over de Belgische grens, een ‘mas’ (herenboerderij) in de Provence en een voormalige tapijtfabriek in een boekendorp. Je kunt slapen in een boothotel, watermolens, (schapen)boerderijen, voormalige kloosters en abdijen of sprookjeskastelen.

Naast persoonlijke verhalen over de reden van vertrek (stress, files, betuttelende regeltjes) en hoe het nieuwe ‘vaderland’ bevalt, biedt de gids praktische informatie zoals prijzen, adresgegevens en regionale bezienswaardigheden.

Jacobs en De Decker verzorgden eveneens een Belgische versie met 150 adressen. Daaruit blijkt dat de Belgen er ook wat van kunnen: bij hen overnacht je in een gehucht (Aiglun), een yourte (ronde Mongolische tent) of in boomhutten.

U stelt dat buitenlanders de Chambres d’Hôtes op een hoger niveau tillen. Wat bedoelt U daarmee?

Jacobs: „Chambres d’Hôtes ontstonden in de jaren zestig toen Franse landbouwers het moeilijk hadden en hun vrouwen kamers mochten gaan verhuren. Buitenlanders maken daar nu veel meer van: een vakantieplek met alles erop en eraan: eten, een biljart- of leeskamer, een zwembad en ze verschaffen toeristische informatie.”

Er wordt volgens Jacobs niet zo sterk op het thuisgevoel ingespeeld dat je boerenkool of snert kunt eten. Wel spreken buitenlandse uitbaters – in tegenstelling tot de meeste Franse – vaak diverse talen, waardoor gasten zich thuis voelen. Die zijn tegenwoordig veelal op zoek naar kleinschalige entourages en een persoonlijke benadering. De Chambres d’Hôtes liggen bovendien vaak op het platteland, in tegenstelling tot grotere hotels.

De Decker: „We merkten dat Nederlanders iets huiveriger zijn om met anderen aan één tafel te eten dan Belgen en we ontdekten een merkwaardig verschijnsel: de bedden in Chambres d’Hôtes van Fransen zijn vaak kleiner; Nederlanders zijn langer en spelen daar vanzelf op in.”

Om hoeveel Nederlandse entrepreneurs gaat het en hoeveel procent slaagt?

Jacobs: „Wij kennen 500 adressen, maar Nederlanders nemen ook steeds meer campings, hotels, wijndomeinen en vakantiedorpen over, mede doordat de Europese wetgeving het gemakkelijker maakt. Door de huidige wijncrisis kopen buitenlanders ook wijndomeinen op, die ze nieuw leven inblazen. Op televisie zie je dit soort initiatieven vaak mislukken, maar dat medium zoekt sensatie om kijkers te trekken. Volgens ons mislukt nog geen tien procent van de Chambres d’Hôtes die door Nederlanders worden opgezet.”

‘Thuis in la douce France’, Erwin de Decker en Peter Jacobs, te koop via www.Lannoo.com, prijs: 19,95 euro