Ík zag twee beren in Berlijn

Ha, daar zijn ze weer: Jan Peter Balkenende, Mark Rutte, Femke Halsema, Rita Verdonk, Henk Kamp. Zou je ze missen, straks, na 22 november, de politici? Niet meer elke dag die gezichtjes op de tv, niet meer die volautomatische zinnetjes: „Wij hebben gezegd van… en dat is er ook gekomen.” Bewindspersonen zie je dan alleen nog maar als er iets belangrijks is en niet als ze een spandoek willen ophangen, gaan barbecuen, hardlopen, schaatsen of fietsen. Best mogelijk. Dat je ze mist, bedoel ik. Het worden toch huisvrienden. Als Paul Rosenmöller in zijn Rosenmöller en de lijsttrekkers tegen Balkenende zegt dat hij alle andere lijsttrekkers tutoyeert, maar tegen u toch wel gewend is u te zeggen, denkt de kijker allang: „Zeg toch Jan Peter! Dat doen we allemaal!” En ja, daar mag Paul het ook: „Als oud-collega’s, hè Paul!”, roept JP joviaal en in sportieve jekkertjes stappen ze op de fiets want ze zijn in Berlijn – „de stad van de hoop”, zegt Balkenende plechtig. Daarom wilde hij daarheen nu het zijn beurt was om met Rosenmöller op reis te gaan.

Eergisteravond was de bioloog Frans de Waal bij Pauw & Witteman en die keek met ethologische blik naar een stukje Bos-Balkenende, Hij zag dat Balkenende veel met zijn ogen knipperde en dus bang was, Bos was agressiever in zijn lichaamstaal. Gisteravond op de BBC een poosje ter afwisseling van alle politici naar beren in Kamtsjatka gekeken, en naar een man die daar woont en zich het lot van berenwezen aantrok. Bij zulke reportages wordt nooit ontzettend veel gepraat, je wordt vooral uitgenodigd om zelf goed te kijken en wat er gezegd wordt, helpt je te interpreteren wat je ziet. Het is heerlijk en opluchtend om een man langs een meer te zien sjouwen met twee onvolwassen grizzlyberen achter zich aan en ook om te zien waar die beren zich mee bezig houden: met vissen, rennen, op hun rug liggen, spelen, zwemmen – met leven gewoon.

Geprobeerd net als Frans de Waal met een gedragskundige blik de politici te bekijken. Dat valt niet mee. Het zijn geen beren, ze leven maar weinig en praten veel, in de stad van de hoop zelfs gewoon op de hotelkamer. Toch goed dat die kamer zich in Berlijn bevindt. Over geloof gaat het, en over hoe Balkenende het zou vinden als zijn dochter met een vrouw zou willen trouwen. Hij zegt: „Als de keuze wordt gemaakt dat je duurzaam kiest voor elkaar” en nog een paar keer zegt hij dingen over trouw en kiezen en duurzaam, ja, dan zou hij er zeker vrede mee hebben.

Gelukkig komt er een moment dat we meer gedrag dan woorden kunnen zien, als Rosenmöller en Balkenende een biertent in gaan waar een najaarscarnaval aan de gang is. Balkenendes ogen beginnen te stralen, hij heft het hoofd, snuift de atmosfeer op en vraagt verwachtingsvol aan Rosenmöller: „Wat vind jij hier nou van?” Rosenmöllers hele houding en blik spreken duidelijke taal: hij zou hier normaal gesproken nog niet dood gevonden willen worden, maar ja, hij heeft de premier aan zijn zijde en wat doe je dan. Nog voor hij iets kan zeggen, verklaart Balkenende: „Ik vind het hier wel leuk” en even later zitten ze achter grote glazen bier. Balkenende kijkt verrukt naar de feestende menigte om zich heen en valt gretig in als er een gezongen toast wordt aangeheven: „Ein Prósit, ein Prosit…” „Ken jij deze muziek?”, vraagt de stomverbaasde Rosenmöller, en JP bast: „Natuurlijk!” en hij klinkt met zijn buurman en hij ziet er ineens heel mannelijk en gelukkig uit. Als die dooie Rosenmöller er niet bij was met zijn cameraploeg, dan had hij zich fijn aangesloten bij de polonaise. Nu kan hij daar slechts verlangend naar kijken.

Lees ook ‘Ogen’ op www.nrc.nl/ogen