Een beginselvast man

Met dit stukje wil ik iets goedmaken. Wat is het geval? Een tiental jaren geleden schreef ik hier – het desbetreffende artikel heb ik niet kunnen terugvinden – over dr. H.M. Hirschfeld, de economische ‘tsaar’ tijdens de Duitse bezettingstijd. Deze was na de oorlog bij een zuiveringscommissie er met een milde berisping vanaf gekomen. Dit noemde ik des te opvallender omdat de ‘onverzoenlijke’ mr. J. le Poole lid van die commissie was (in feite was hij secretaris). Hierop kreeg ik een brief van le Pooles weduwe – zelf was hij in 1993, 79 jaar oud, overleden – waarvan de teneur was dat hij helemaal niet zo onverzoenlijk was. Ik schreef terug dat ik die kwalificatie graag zou willen corrigeren, maar daarvoor moest ik wel een goede gelegenheid afwachten en, belangrijker, de feitelijke gegevens hebben.

Die heb ik nu, want onlangs is van de hand van dr. Hinke Piersma, onderzoeker bij het Instituut voor Oorlogsdocumentatie, een boekje over le Poole verschenen: Op oorlogspad. Jaap le Poole, verzetsman voor het leven (uitg. Boom, Amsterdam), en daaruit blijkt dat le Poole, hoewel verzetsman van het eerste uur, inderdaad na de oorlog helemaal niet zo onverzoenlijk was. Het tegendeel is eerder waar.

Wanneer we spreken over ‘verzetsman van het eerste uur’, dan was dit voorle Poole letterlijk zo: in december 1940 weigerde hij, ambtenaar bij de Octrooiraad, de zogenaamde Ariërverklaring te tekenen – iets wat verreweg de meeste ambtenaren wél hebben gedaan, in de mening dat die verklaring niet meer dan de bevestiging van een feit en dus onschuldig was. In feite was het de eerste stap naar de ondergang van het Nederlandse jodendom.

Daarna raakte hij steeds meer betrokken bij het verzet, niet alleen als organisator van hulp aan onderduikers – vooral joden (het gezin le Poole nam ze ook in eigen huis op) – en als afnemer van valse persoonsbewijzen, maar ook als belangrijke verbindingsman en informatiebron voor Londen.

Het was dan ook niet verwonderlijk dat hij in augustus 1944 van Londen de opdracht kreeg een college van Vertrouwensmannen op te richten. Dit college, waarvan le Poole secretaris werd, zou in april en mei 1945 de bevrijding zo goed en zo kwaad als het kon in ordelijke banen regelen. (De nu nog bekendste leden van het college waren Drees en prof. Cleveringa.)

Na de oorlog werd hij lid van de Voorlopige Staten-Generaal en secretaris van tal van commissies die zich bezighielden met de zuivering van Nederlanders wier handelwijze tijdens de bezetting op z’n minst kwestieus was geweest. Een vastere aanstelling was die als directeur van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten (STPD). In die functie toonde hij vooral dat het hem niet om wraak te doen was. „Wie zou ooit gedacht hebben dat hij zich zo druk zou maken voor de heropvoeding, huisvesting enz. van NSB’ers!”, schreef Drees. Ja, de le Pooles namen zelfs een zoon van de ter dood veroordeelde NSB’er Van Genechten, die zich van kant had gemaakt, in huis.

In zijn werk maakte le Poole een scherp onderscheid tussen ‘lichte’ en ‘zware’ gevallen van collaboratie. Daardoor kwam hij in conflict met, onder anderen, procureur-generaal Sikkel, voor wie er geen lichte gevallen bestonden. Na zijn aftreden als directeur van de STPD bleefle Poole zich bezighouden met reclassering. Zo werd hij lid van de Centrale Raad van Advies voor het Gevangeniswezen. Hierbij werd hij niet zozeer gedreven door een behoefte aan verzoening als wel door een „tomeloos rechtvaardigheidsgevoel”, zoals een van zijn vrienden dat beschreef, hoewel dat ook wel gepaard ging met „bemoeizucht en geldingsdrang”. Het aantal conflicten waarin hij verzeild raakte, was dan ook legio – evenals het aantal keren dat hij ontslag nam (en dat soms weer introk).

Het bekendste geval was dat van het ontslag dat hij in december 1948 nam én als lid van de PvdA én als Kamerlid uit protest tegen de militaire actie in Indonesië. Wél werd hij in 1956 weer lid van de PvdA, maar dertig jaar later bedankte hij weer (naar aanleiding van een lokaal conflict in Deventer, waarnaar hij intussen verhuisd was).

Opmerkelijk was ook zijn actie voor vrijlating van de Drie (oorspronkelijk: Vier) van Breda, Duitse oorlogsmisdadigers die tot levenslange gevangenisstraf waren veroordeeld. Met dat levenslang kwam volgens hem „een fundament van onze rechtsorde in het geding”. Hij bezocht een hunner, Lages, zelfs maandelijks in zijn cel – totdat deze werd vrijgelaten (overigens niet door le Pooles toedoen). Maar daarna was, aldus zijn biografe, zijn rol „in wezen uitgespeeld”, in die zin dat hij niet meer in een positie was invloed uit te oefenen. Wel verzweeg hij allerminst dat hij het niet eens was met de actie om de weduwe van Rost van Tonningen, nog steeds een bewonderaarster van Hitler, haar staatspensioen te ontnemen. Haar man was immers vóór de oorlog, volstrekt legaal, lid van de Tweede Kamer geweest. Ook hier weer dat tomeloze rechtvaardigheidsgevoel.

Natuurlijk wekte le Poole met zijn eigenschappen ook veel irritatie. Het was een man met wie moeilijk samen te werken viel (ook omdat hij een eeuwige telaatkomer was). Hij heeft het dan ook „nooit ergens lang kunnen volhouden” volgens zijn biografe. Ja, hij brak gemakkelijk met vrienden met wie hij het niet eens was. Ook met zijn enige broer – om politieke redenen, zoals die broer mij eens vertelde. Dus toch iets onverzoenlijks?

„De breuken die le Poole in zijn leven noodzakelijk achtte, verraden een emotionaliteit die onmisbaar deel uitmaakte van zijn persoonlijkheid”, schrijft Hinke Piersma. Dat zal zeker zo zijn, en daar zou ik iets meer over hebben willen weten, liever dan de nauwelijks onmisbare informatie dat hij vriendinnen had – één wordt zelfs bij name genoemd – of vier dagen vóór zijn dood gedineerd had met oesters en wijn (in zijn studententijd had hij het beheer over keuken en wijnkelder van de sociëteit gehad) – hoewel ook deze aspecten tot zijn persoonlijkheid behoorden.

Graag had ik ook gezien dat hij op de omslag van het boek niet in zijn nadagen was geportretteerd, maar op het hoogtepunt van zijn activiteiten, dat ongeveer25 jaar eerder viel. Deze punten van kritiek doen echter niet af aan de verdiensten van het boek, dat de herinnering aan een principieel man levend houdt of liever: wakker roept. Jammer alleen dat zijn weduwe, die kortgeleden overleed, er geen kennis van heeft kunnen nemen, evenmin als van mijn poging tot goedmaking.