Brabantse botten met breuken

Zo’n 750 skeletten groef de Eindhovense gemeentearcheoloog op, in en rond de Catharinakerk. Vooral de armen hadden last van wormen, maar de botslijtage was tenminste minder dan op het platteland.

Jicht, syfilis, tbc, cariës, scheurbuik, rachitis, scoliose, bloedarmoede, open rug en botbreuken. Ruim een jaar opgraven op het kerkhof en in het koor van de middeleeuwse Catharinakerk in Eindhoven heeft ongeveer 750 skeletten met veel verschillende ziekten en aandoeningen opgeleverd. „Het valt op dat er weinig slijtage van botten is als gevolg van zware lichamelijke belasting. Dat was wel het geval bij de skeletten in een eerder opgegraven grafveld bij Woensel, net buiten Eindhoven. Dat toont dus een verschil tussen het leven in de stad of op het platteland”, vertelt Nico Arts, gemeentelijk archeoloog van Eindhoven.

Vandaag maakte Arts in zijn stad tijdens de Reuvensdagen, het jaarlijkse congres van de Nederlandse archeologen, de eerste resultaten van de in juni afgeronde opgraving bekend. Verder presenteerde hij Een bed van botten, een publieksboek over de gang van zaken rond de opgraving.

Aanleiding voor de opgraving was de herinrichting van het plein rond de kerk. Bij een proefopgraving in 2002 was gebleken dat in een tand van een middeleeuwse jongen het DNA nog goed bewaard was gebleven. Arts: „De grond is hier toevallig kalkrijk.” De toekomstige bouwwerkzaamheden en de daarmee gepaard gaande wisselingen in de grondwaterstand – „een soort slow motion golfslagbad” – vormden een te grote bedreiging voor de archeologische resten en daarom werd besloten alle skeletten op te graven.

De eerste bakstenen Catharinakerk stamt uit 1225. „Mogelijk is er een houten voorloper geweest”, schetst Arts kort de geschiedenis van de katholieke kerk. „Na de Vrede van Munster in 1648 hebben de gereformeerden de kerk overgenomen. In 1793 hebben de Fransen het gebouw als paardenstal gebruikt. Vanaf 1807 werd de kerk weer katholiek, om in 1860 afgebroken te worden en plaats te maken voor de huidige neogotische kerk.”

Het kerkarchief is in de loop der jaren verloren gegaan. „Daarom kunnen we het dus niet fout doen als we op grond van de archeologische vondsten iets over het verleden zeggen”, grapt Arts. Een vondst die wel rechtstreeks met een schriftelijke bron in verband gebracht kan worden is een stukgeslagen doopvont uit de dertiende eeuw. „Een bron vertelt dat in augustus 1566 tijdens de Beeldenstorm het doopvont is vernield. Een andere bron meldt dat meneer pastoor het beschadigde doopvont nog een tijd is blijven gebruiken. Wij hebben het loodzware vont met oorspronkelijk vier engelenhoofden op de hoeken aan de rand van het kerkhof teruggevonden. Hier was het zorgvuldig, met enig ritueel begraven. Het is nog niet duidelijk wat de betekenis is van de tegels die op het vont waren neergelegd.”

Arts heeft al wel verschillen in levensstijl ontdekt tussen de skeletten van de welgestelden, die voor veel geld in het koor van de kerk begraven lagen, en de minder draagkrachtigen op het kerkhof buiten de kerk. „Zover bekend zijn wij de eersten die onderzoek hebben gedaan naar inwendige parasieten. Vooral bij de skeletten buiten de kerk hebben we eieren gevonden van spoelworm en zweepworm. Dat duidt op het eten van bedorven voedsel.” Nog een ‘leuke’ uitkomst: de vondst van verkalkte cysten van honden- of vossenlintworm. „Dat wijst op contact met ontlasting van vos of hond, mogelijk door het eten van bramen of bessen.”

Het DNA-onderzoek dat mede aanleiding voor de opgraving was, begint nu pas. Tijdens de opgravingen zijn talloze tanden en kiezen, waarin DNA het best bewaard blijft, geborgen. Onlangs is een deel naar het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek in Leiden gebracht. Arts hoopt de herkomst van de eerste Eindhovenaren te achterhalen. Verder kan hij mogelijk verwantschappen onder de begravenen vaststellen.

Internationaal gaat de meeste aandacht uit naar het DNA-onderzoek omdat het misschien ook iets over aids kan zeggen. Middeleeuwers die immuun tegen pest of pokken waren, blijken een genetische afwijking gehad te hebben. Mensen die nu resistent tegen het aidsvirus hiv zijn, hebben mogelijk dezelfde afwijking. Het is een hypothese die interessant genoeg is om te onderzoeken, maar Arts en de mensen van het Leidse laboratorium waken voor te veel optimisme. Het is de vraag of bruikbaar DNA gevonden en geïsoleerd kan worden.