Argwanend kwam hij, onbegrepen vertrok hij

De realiteit in Irak drong niet tot minister Rumsfeld door, omdat hij van zijn generaals amper tegenspraak duldde.

Hij kwam naar het Pentagon met een houding van: ik zal niet meemaken wat mijn voorgangers is overkomen. Donald Rumsfeld zou niet de gevangene worden van de generaals. Hij zou ze weerstaan. Hij zou de baas zijn.

Na een jaar in het ambt durfde niemand nog tegen hem op te staan. Generaals die vonden dat Rumsfeld ongewenste adviezen al te bot onderdrukken, gingen hem gewoon uit de weg. Het bekendste voorbeeld is de huidige opperbevelhebber van de NAVO, generaal Jones. Toen Rumsfeld kort na zijn aantreden liet weten dat hij in Jones een mogelijke stafchef van de krijgsmacht zag, weigerde de generaal een sollicitatiegesprek: hij wenste onder geen beding nauw met Rumsfeld samen te werken.

Donald Rumsfeld (1932, Illinois) had een plan toen hij in 2001 op het Pentagon aankwam. De krijgsmacht was ouderwets. Generaals stelden al hun vertrouwen in troepenovermacht. Typisch ambtelijk denken. Het maakte de krijgsmacht stroperig en langzaam, vond hij. Na zijn eerste ministerschap van Defensie – in de jaren zeventig onder president Ford – was hij in het bedrijfsleven terechtgekomen. Rumsfeld had er geleerd wat vooruitgang is: je vervangt mensen door technologie.

Dus toen met zijn warme steun de oorlog in Irak kwam, was Rumsfeld bezig de krijgsmacht leniger te maken: minder troepen, meer technologisch vernuft. Dat uitgerekend in die tijd generaals zeiden dat in het naoorlogse Irak honderdduizenden militairen nodig waren, maakte de minister búitengewoon argwanend: ze wilden zijn grote project ondermijnen – dacht hij.

Zo kwam Rumsfeld in de modder terecht. Toen najaar 2003 de eerste berichten kwamen over een binnenlandse opstand in Irak, dacht hij meteen: ze ondergraven mijn project. De rest is geschiedenis. Zijn eigen houding veroorzaakte dat hij onbekend bleef met de werkelijkheid in Irak. Generaals hadden geen zin in uitbranders, dus vertelden ze hem niets. Of ze deden het pas als ze met pensioen waren, zoals dit voorjaar zeven op een rij. Hun klachten: hij is arrogant, hij is een hork, hij wil alleen maar advies dat hem uitkomt – hij is incompetent. „Wie?”, zei hij. „Ik?”

Intussen bleef hij zich vol vertrouwen presenteren aan de buitenwereld. Zijn geduld voor mensen die zijn voortreffelijkheid niet onderkenden, was nu eenmaal niet groot. The New York Times mocht hem komen fotograferen tijdens zijn dagelijks partijtje squash in het Pentagon: 74 en kijk eens hoe vitaal!

Na het Abu Ghraib-schandaal in 2004 bood hij zijn ontslag al eens aan. Bush weigerde. Vorig jaar begon ineens ook first lady Laura Bush aan zijn stoelpoten te zagen. En toen recentelijk uit ‘State of Denial’ bleek dat het halve kabinet zijn gram over Rumsfelds stijl aan Bob Woodward had verteld, was het echt afgelopen. De vraag was slechts: wanneer gaat de stekker eruit?

Argwanend kwam hij, onbegrepen vertrok hij. De oorlog in Irak was allang uit zijn vingers geglipt. Maar dat was tot op het laatste moment zijn grootste zorg niet. Hevig geëmotioneerd stond hij gisteren aan de zijde van Bush. Dit was het dan. „De moderne oorlog”, zei hij, „is blijkbaar heel ingewikkeld te begrijpen voor mensen.”