‘You are a babtou’

Goede en betaalbare hotels in Kameroen, die zijn dun gezaaid. Gelukkig helpen de gids en de chauffeur, Silas en Elyssee.

Kameroen is Afrika in het klein. Je vindt er alles. Van regenwoud, savanne en woestijn tot bergen, meren en stranden. Toch komen er nauwelijks toeristen. De kans dat je er westerse zakenlieden of diplomaten tegen het lijf loopt, is groter. Ook zijn er nogal wat ontwikkelingswerkers.

Dat dit niet altijd aardige mensen zijn, ondervinden we op een terras aan de kust, waar een professionele hulpverlener, een landgenoot, ons op hoge toon terechtwijst, omdat wij ‘onze gastheren’ beledigen door in het bijzijn van de gids en de chauffeur Nederlands te spreken. Gerarda vraagt hem waar hij zich mee bemoeit, maar ik geef hem gelijk om vervolgens in het Engels en het Frans aan Silas en Elyssee te vertellen hoeveel ontwikkelingswerkers verdienen. Ze schrikken er minstens even erg van als de ontwikkelingswerker zelf.

‘Onze gastheren’ overleggen naar welk hotel ze ons zullen brengen. Het moet binnen het budget passen. Zo overnachtten we al eens in een hotelkamer met spiegels tot op het plafond en mooi opgemaakte dames, wachtend in de lounge. Ook werden we een keer gedumpt in een toeristisch huttenhotel, waar alles wat je aanraakte van de wand kletterde.

Gisteren kwam het per ongeluk tot een dure overnachting. In een onbewaakt ogenblik greep een hotelhouder zijn kans. Hij bracht ons naar een prachtige, grote kamer, waar hij mij uitnodigde het toilet te proberen. Toen ik doortrok, zaten we volgens een ongeschreven wet aan de kamer vast. Silas barstte bijna in tranen uit. Zelden zo lekker geslapen.

Elyssee weet voor vannacht een goedkoop adres om de schade in te halen. Hij rijdt ons naar een soort logement in the middle of nowhere. Onze chauffeur vreet de weelderige matrone, die ons heupwiegend voorgaat, met zijn ogen op. „Je suis un grand chaud”, zegt hij likkebaardend. Silas verklaart dat dit een Kameroenisme is voor ‘een groot minnaar’. „She is a bamba, a bad woman”, fluistert hij. „Then I must be a bambo, a bad man”, veronderstel ik. „No no”, stelt Silas me gerust: „You are a babtou, a white man.”

We krijgen een piepklein kamertje. Slapen is er niet bij. Niet alleen liggen we op een rij boomstammetjes met een dun matrasje, ook breekt er een hels lawaai los. Disco midden in de rimboe!

Er is geen licht. We behelpen ons met een kaarsje. Voor grote en kleine boodschappen zijn we aangewezen op een latrine buiten in de modder. Ik krijg de deur niet open. Er ligt iets voor. Het is Silas. Hij zegt dat hij ons wil bewaken, maar ik weet wel beter. Silas is bang. Hij is van een vijandige stam. Als ik terugkom, knapt er iets onder mijn voet. „Wat gebeurt er?”, vraagt Gerarda. „Dat wil je niet weten”, antwoord ik. „Ik weet het heus wel”, zegt ze, „het begint en eindigt met een K.”

Pas tegen de dageraad vallen we in slaap. Het is van korte duur. Er doolt een man rond; een malarialijder volgens Silas. Hij bonkt op de deuren en roept op klagelijke toon „Christophe, Christophe”. Ook Elyssee laat zich even zien. Hij kijkt om het hoekje van een deur voor in de gaanderij. De matrone kijkt over zijn schouder mee. Ze is best mooi.

In het eerste ochtendlicht blijkt dat het kamertje niet bedoeld was om in te slapen. Op de binnenkant van de deur hangt een lijstje met uurtarieven. We hebben op onze oude dag een hele nacht in een peeskamertje doorgebracht.

Als we verder reizen, zien we de ontwikkelingswerker terug die ons de les las. Terwijl de politie toekijkt, staat hij aan de kant van de weg zijn auto leeg te halen. Dat doen ze hier wel meer, even laten voelen wie de baas is. „Net goed”, vindt mijn vrouw. Silas en Elyssee zijn het erover eens dat hij met zo’n dijk van een salaris makkelijk de controle had kunnen afkopen. „Nog gierig ook”, zegt Gerarda.