Vriend

Het toeval wilde, zoals zo vaak, iets wat ik helemaal niet wilde.

Ik liep over de Amsterdamse Prinsengracht in een stemming die ik met het woord ‘opgeruimd’ zou willen aanduiden. Zojuist had ik een tentoonstelling gezien waarop de kunstenaar ons met een positief mensbeeld wil verblijden. Dat zie je niet elke dag, kunstenaars zijn doorgaans nogal sombere mensen.

Deze kunstenaar was de fotograaf Bob Bronshoff, die in de Melkweg onder het motto ‘Mijn beste vriend’ een expositie heeft gewijd aan het fenomeen vriendschap. Op de foto’s staan mensen geportretteerd die met elkaar gelukkig zijn, daar komt het in de meeste gevallen op neer. Ze staan in tevreden groepjes bij elkaar of ze kijken elkaar verheugd aan. Wat wil een mens nog meer?

Wel was er een akelig tegenstemmetje in mijn gemoed dat mij herinnerde aan wat de schrijver V.S. Naipaul ooit gezegd had over de schaduwzijde van vriendschap. Vrienden die je teleurgesteld hadden, mocht je nooit meer een tweede kans geven, vond Naipaul. Hoe groter de vriendschap, hoe zwaarder elke vorm van verraad woog.

Moest een vriend zich zó streng opstellen? Mijmerend liep ik verder totdat mijn aandacht getrokken werd door iemand die ergens in de huizenrij boven mij zijn neus in de letterlijke zin ophaalde. Dat wil zeggen, hij verzamelde met een krachtige snork het dikke vocht in neus- en keelholte. Het is een bekend geluid, maar het blijft buitengewoon onsmakelijk. Ik liep haastig verder terwijl ik mijn oren gebood niet verder te luisteren.

Toen zag ik die vrouw staan.

Het was een kleine, jonge, Marokkaanse vrouw, elegant gekleed en met een zwart doekje strak over haar hoofd. Ze stond mobiel te bellen. Een paar meter boven haar stak een balkon uit de gevelrij. Ik wilde alweer voor me kijken, toen ik zag hoe de vrouw plotseling naar haar hoofddoekje greep. Ze voelde eraan en keek toen met een mengeling van ongeloof en ontzetting naar haar vingers.

Ik keek naar het balkon. Daar was niets te zien, ‘de ophaler’ was verdwenen, of zag ik in het halfdonker nog zijn handen die vlug wat planten naar binnen haalden? Ik ging er vanuit dat het een man was, vrouwen heb ik nog nooit horen ‘ophalen’.

Ik keek weer naar de vrouw. Zij ging, merkwaardig genoeg, door met bellen, alsof ze zich niet gewonnen wilde geven voor de terreur van die onzichtbare ander. Op de hoek, even verderop, stond een Marokkaanse man, vermoedelijk haar vriend, toe te kijken. Zijn houding straalde ongeduld uit, hij liep niet op zijn vriendin af, het was alsof hij zo snel mogelijk van deze plek vandaan wilde.

Ik keek weer naar boven. Niets te zien.

Ik liep door, maar omdat het beeld van die bellende, besmeurde vrouw me niet losliet, keerde ik even later terug. Het Marokkaanse paartje was opgelost in de avondschemering. Op het balkon stond een forse man van een jaar of veertig, een royale kuif op zijn brede hoofd. Hij leunde wat voorover, zijn blik in de richting van de Westertoren.

Misschien was het een goede vriend voor zijn vrienden, en liet hij ze nooit vallen, wat ze hem ook geflikt hadden. Een man uit één stuk.