Na de Republikeinse nederlaag

Na de Democratische winst in het Amerikaanse Congres is het de vraag of president Bush zijn beleid wijzigt. Maar als hij het doet, moet hij de nederlaag in Irak erkennen. Trek de troepen terug, vindt Ivo Daalder.

De tussentijdse Amerikaanse verkiezingen zijn een motie van wantrouwen voor de regering-Bush. In een parlementair systeem zou deze uitkomst leiden tot een machtswisseling; in het Amerikaanse presidentiële systeem zou zij tot een ander beleid moeten leiden. Of dit ook gebeurt, zal bepalen of Bush relevant blijft voor de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Als alle stemmen zijn geteld, zullen de Democraten niet alleen het Huis maar waarschijnlijk ook de Senaat hebben veroverd, waarmee ze de congresagenda geheel beheersen. Maar daarmee beheersen ze nog niet het buitenlands beleid, want dat blijft in ons systeem grotendeels het domein van de president. Voor beleidsverandering is het dus nodig dat de president iets doet wat hij al zes jaar weigert: een andere koers varen.

Het eerste teken van verandering zou zijn dat Bush het aftreden van Donald Rumsfeld aanvaardt – of het eist, als Rumsfeld het niet zelf aanbiedt. Natuurlijk heeft Bush voor de verkiezing beloofd zijn minister van Defensie te handhaven. Maar dat was toen en dit is nu. Vergeet niet dat Bush ook van Michael Brown (directeur van de calamiteitendienst) zei dat hij „bliksems goed werk” deed na de orkaan Katrina – en een paar dagen later was Brown vertrokken.

Het volgende teken van verandering moet komen in het Irak-beleid van Bush. Geen factor woog zwaarder in de Republikeinse nederlaag dan de diepe onvrede bij de kiezers over de gang van zaken in dat land. In plaats van koers te houden, met volle kracht vooruit te gaan of het karwei te klaren, moet Bush een andere strategie kiezen. Er zullen hier en daar stemmen opgaan om politiek eendrachtig meer troepen te sturen teneinde de overwinning te behalen, maar er zíjn niet meer troepen om te sturen. In een burgeroorlog als in Irak is de enige manier om te winnen door partij te kiezen. Het doel kan inmiddels geen overwinning meer zijn; het doel moet zijn de schade van de nederlaag te minimaliseren.

Dat vergt een ondubbelzinnige inzet om zich uit het conflict terug te trekken. De Amerikaanse troepen moeten onmiddellijk weg uit de Iraakse steden. Daarna moeten ze beginnen met een gestaag proces van terugtrekking.

In de zes tot twaalf maanden die het de Amerikaanse troepen kost om Irak te verlaten, zal de taak van de resterende troepen tweeledig moeten zijn. Ten eerste moeten ze buitenlandse interventie in de Iraakse burgeroorlog verhinderen. Ten tweede moeten ze alert zijn op tekenen van Iraakse verzoening – en bereid zijn de krachten van de Iraakse eenheid bij te staan als deze zich vastbesloten tonen om de overhand te krijgen. In het (overigens onwaarschijnlijke) geval dat de schok van het Amerikaanse vertrek tot positieve stappen naar verzoening leidt, moet Amerika bereid zijn de terugtrekking van zijn troepen te vertragen of zelfs te onderbreken om bij dat proces behulpzaam te zijn.

De volgende stap van Bush zal moeten zijn om het vertrouwen van de wereld in Amerika te herstellen. Daarvoor is nodig dat Amerika zich gaat gedragen naar zijn vermeende idealen. Dat het een eerlijk proces waarborgt voor verdachten van terrorisme en andere misdaden, dat het elke gedachte aan mishandeling van gevangenen laat varen (hoe afschuwelijk hun misdaden ook zijn), dat het een onafhankelijke rechter over alle gevallen laat beslissen, en dat Amerika voor iedereen in Amerikaanse gevangenschap de geldigheid van internationale overeenkomsten als de akkoorden van Genève aanvaardt. Het nieuwe Democratische Congres kan de eerste stap zetten door de legerwet die vlak voor de verkiezingen is aangenomen, zo te wijzigen dat de verfoeide en on-Amerikaanse aspecten worden weggenomen.

Nodig is ook dat Washington een aantal zorgen van de wereld ernstiger gaat nemen. Als een land met vier procent van de wereldbevolking een kwart van de energiebronnen verbruikt, dan heeft dat land de verantwoordelijkheid zich te bekommeren om de negatieve gevolgen van een dergelijk verbruik. Amerika moet krachtig optreden om de uitstoot van broeikasgassen te beperken en zijn afhankelijkheid van olie te verminderen – niet alleen omdat anderen dit graag zouden willen, maar ook omdat dit wezenlijk in het belang van alle Amerikanen is.

Er zijn nog meer noodzakelijke beleidsveranderingen: een actieve diplomatieke rol in het Midden-Oosten en de bereidheid tot onvoorwaardelijke besprekingen met landen als Iran, Syrië en Noord-Korea, om er twee te noemen. Deze beleidsveranderingen moeten gepaard gaan met een veranderde houding, een houding waarin de bereidheid bestaat om met anderen samen te werken.

Amerika speelt een belangrijke rol in de wereld, maar het kan zijn meeste wensen niet alleen verwezenlijken. Het heeft de hulp van andere landen nodig.

Ivo H. Daalder is verbonden aan de Amerikaanse Brookings Institution.