Intrigerend boek over begin De Appel

Kunstcentrum de Appel was in zijn beginjaren „het centrum voor Europese performance”. Een gendekboek blikt terug op die tijd, waarin kunst en leven versmolten.

Appel-directeur Wies Smals filmt de performance ‘Where it’s coming from’ van Charlemagne Palestine. (Foto Thijs Schouten) Schouten, Thijs

De Amsterdamse Stichting De Appel profileert zichzelf vandaag de dag als ‘kunstinstelling waar ruimte wordt gegeven aan projecten, installaties en onderzoek’. Dertig jaar geleden stond De Appel nog bekend als ‘hét centrum voor de Europese performance, de plaats waar het allemaal gebeurde’ zoals kunstenaar Thom Puckey dat onlangs verwoordde. Onder leiding van Wies Smals waren in De Appel nationale en internationale kunstenaars als Marina Abramovic & Ulay, Lawrence Wiener, Chris Burden, Willem de Ridder, Nan Hoover, Madelon Hooykaas & Elsa Stanfield, Ulrike Rosenbach en Lydia Schouten betrokken bij het maken van ‘instabiele, onverkoopbare kunstvormen’.

Over die beginjaren is het boek De Appel. Performances, Installaties, Video, Projecten, 1975-1983 verschenen, een mooie gebonden uitgave vol zwart-witfoto’s van bijzondere optredens en tentoonstellingen. Auteur is Marga van Mechelen, die sfeer, betrokken personen en kunst helder beschrijft.

De boekpresentatie vond afgelopen vrijdag plaats op de bovenste verdieping van het Westerhuis, een enorm schoolgebouw in de Amsterdamse Jordaan, Het werd in 2004 door het stadsdeel aangekocht om er een verzamelgebouw van te maken voor culturele instellingen. De Appel is geïnteresseerd. Momenteel is het gevestigd in een hermetisch gebouw in de Nieuwe Spiegelstraat.

Tijdens de presentatie werden beelden geprojecteerd van een jonge Wies Smals, de initiatiefneemster die tot haar vroegtijdige dood in 1983 onlosmakelijk verbonden was aan De Appel. Ze heeft kort zwart haar, en praat vol passie over waar ze in gelooft: haar kunstenaars. In het filmfragment legt ze aan Martha Wilson van de New Yorkse galerie Franklin Furnice uit hoe De Appel aan zijn naam kwam: de kunstenaarsplek is genoemd naar het smalle pakhuis uit 1650 op de Brouwersgracht dat als eerste onderkomen diende.

Smals is op dat moment met een aantal van haar kunstenaars in New York ter gelegenheid van de tentoonstelling Dutch Treat (1980). Trots vertelt ze over een van de bijdragen, de performance ‘Flowerwalk’ van Nicolaus Urban: „Het publiek moest 25 cent betalen om over de bloemen te mogen wandelen, en dat deden ze ook allemaal.”

Er volgen meer filmbeelden van de performances in New York. Kunstenaar Harrie de Kroon draait rondjes met zijn handen terwijl hij heel serieus zegt: ‘Not too little. Not too much’. Ook zien we Moniek Toebosch optreden, nu directeur van DasArts. Ze zingt, schreeuwt, piept, knarst, zoekt een tulp in een elegante jurk. Als de film is afgelopen verontschuldigt Toebosch zich voor haar vroege werk: „’t Is verschrikkelijk! Ik schaam me. Echt veel te lang.” Zij en De Kroon, allebei Brabantse kunstenaars, werden snel van hun Amerikaanse droom (beroemd, rijk en succesvol worden) afgeholpen, vertelt Toebosch. De galerie Franklin Furnace viel vreselijk tegen, het was een klein smerig hol. En het tijdelijke ‘kantoor’ van Wies Smals, bestaande uit sinaasappelkistjes, een telefoon en een typemachine, was ontluisterend. Over Smals zegt Toebosch: „Ze hield van kunstenaars. Ze was trots op ons. Ze zou voor ons sterven.”

Na de filmvertoning voerde Ann Demeester, de huidige directeur van de Appel, een gesprek met de auteur van het gedenkboek, Marga van Mechelen (1953), als universitair docent en senior onderzoeker verbonden aan de Universiteit in Amsterdam. Van Mechelen kwam wekelijks in De Appel, maar stelt zich nu in haar boek de vraag: was De Appel wel zo uniek en bijzonder? Het antwoord is ja. Van Mechelen plaatst de Appel in een breder kader door over happenings, Fluxus en Provo’s te schrijven – daar waar de scheidslijn tussen kunst en leven verdwenen is. De Appel ging erg ver in zijn interpretatie van de toenmalige kunstopvatting, zo blijkt uit het boek. Zo memoreert Van Mechelen de AA-Therapie Kommune Kurs van de Oostenrijker Otto Muehl, die Smals in 1977 naar Amsterdam haalde. Muehl had een aantal jaar eerder het kunstenaarsschap opgegeven ten behoeve van zijn commune, een leefgemeenschap gebaseerd op vrije seksualiteit en het niet hebben van eigen bezit. Muehl was sektarisch en autoritair, communeleden mochten bijvoorbeeld niet verliefd worden. Hij werd in 1991 veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstaf wegens seksueel misbruik van minderjarigen. Zijn cursus in De Appel resulteerde in de oprichting van een Amsterdamse en Nijmeegse dependance van de sekte. Laatstgenoemde werd pas begin jaren negentig opgeheven en de commune in Amsterdam, genaamd ‘Vol Sap’ heeft op haar hoogtepunt 35 leden gekend onder wie enkele kinderen.

Het zijn dit soort details die het boek intrigerend maken. Het is Van Mechelen gelukt om een volledig en genuanceerd beeld te geven van de betekenis van De Appel in de begintijd. Haar boek is een standaardwerk geworden over performancekunst uit de periode ‘75/’83 en hoort thuis in iedere goede bibliotheek.

Marga van Mechelen: ‘De Appel. Performances, Installaties, Projecten, 1975-1983’. 440 blz., € 45,-.