Ideale posterboy kan acteren

DiCaprio is volwassen en dat heeft hem goed gedaan.

Hij speelt een met zijn identiteiten worstelende undercoveragent in The Departed.

Toen ik Don’s Plum had gezien wist ik het zeker: Leonardo DiCaprio kan acteren. Want soms weet je het niet helemaal met sterren die zo Disney-mooi zijn dat de camera ze besnuffelt en zachtjes aan hun wangen likt, tot er uiteindelijk niets anders op zit dan ze helemaal te verslinden. Als DiCaprio een Disney-diertje zou zijn, was hij vast een puppie: met zo’n vochtig snuffelneusje. Of Bambi: met bange beentjes bibberend op het ijs.

Don’s Plum werd gemaakt toen de op 11 november 1974 in Los Angeles uit een Duitse moeder en een Italiaanse vader geboren Leonardo Wilhelm DiCaprio nog lang geen ster was. Hij had nog niet Romeo gespeeld in Baz Luhrmanns Romeo + Juliet (1996). Hij was nog niet verliefd geworden op Kate Winslett in James Camerons Titanic (1997). Hij was een aankomende acteur in Los Angeles die met een stelletje vrienden in een paar weekenden een film opnam. Half geïmproviseerd en gebaseerd op hun eigen leven. Lang gebeurde er niets met die film, totdat regisseur R.D. Robb in 2000 besloot het materiaal af te monteren en aan de wereld te laten zien.

Toen had je de poppen aan het dansen. Want toen waren DiCaprio en medespeler en jeugdvriend Tobey Maguire wel al grote sterren, en vonden hun agenten het niet opportuun om die dronken dope- en drankroesfilm in roulatie te laten gaan. Dat is jammer, want geïmproviseerd of niet, DiCaprio laat in Don’s Plum iets zien wat maar weinig acteurs gegeven is: een soort innerlijke worsteling, een existentieel ongemak dat op het filmdoek betovert en hypnotiseert. Dat is dus waarom je naar iemand wil kijken. En niet omdat-ie zo mooi is, en zo vertederend, en zo’n ideale poster boy.

Dat is ook wat de regisseurs die met hem werkten in hem herkend moeten hebben. En waarom zijn fotomodellensterrenimago zo weinig overeenkomt met dat van rebelse lieveling aan de muren van tienermeisjes (en – jongens!)-kamers. Dat is ook waarom hij van serieuze beschouwers altijd het compliment krijgt dat hij zich staande kan houden naast de groten: in This Boys Life (1993) naast Robert DeNiro, in de westernparodie The Quick and the Dead (1995) naast Gene Hackman en Sharon Stone, in Marvin’s Room (1996) naast Meryl Streep en Diane Keaton, in The Man in the Iron Mask (1998) naast Jeremy Irons, Gerard Depardieu en John Malkovich.

En dat is ook wat regisseur Martin Scorsese in hem gezien moet hebben toen hij van DiCaprio zijn nieuwe muze maakte in een drietal films waarin de New Yorkse chroniqueur zijn blik verruimde naar een alternatieve Amerikaanse geschiedschrijving: Gangs of New York (2002), als filmmaker Howard Hughes in The Aviator (2004) en nu als met zijn identiteiten en loyaliteiten worstelende undercoveragent in The Departed.

DiCaprio is volwassen geworden en dat heeft hem goed gedaan. Want nu is hij pas echt mooi. Nu het mooie eraf is. Nu fronst hij en zakken zijn ogen ondoorgrondelijk in zijn gezicht weg. Nu zie je hem, net als Scorsese’s eerdere muze Robert DeNiro, worstelen met zijn speelemoties. Acteren is voor hem, net als voor zijn grote voorbeeld, een manier om zichzelf te ontdekken. Om elke keer weer die angst te overwinnen dat hij van zichzelf eigenlijk helemaal niemand is. Om mensen voor twee uur te laten geloven dat hij die iemand is. En dan aan het einde van de dag de schmink van zijn gezicht te kunnen vegen en zeker te weten dat hij dát in ieder geval niet was.