Hand of knik – het gaat om respect

Een lerares mocht niet geschorst worden omdat zij geen handen meer wil schudden. De Commissie Gelijke Behandeling vindt dat respectvol groeten ook op een andere manier kan.

Meer ruimte voor religieuze vrijheid in de multiculturele samenleving. En minder voor het opleggen van normen uit de westerse monocultuur. Zo zou het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling gisteren, in een zaak van een islamitische lerares economie tegen haar openbare vmbo-school kunnen worden samengevat.

De Utrechtse school had de lerares niet mogen schorsen toen zij in augustus vorig jaar vertelde haar (mannelijke én vrouwelijke) collega’s voortaan geen hand meer te willen geven vanwege haar geloof. Handen geven, aldus de Commissie, is weliswaar voor de meeste Nederlanders een gebruikelijke en respectvolle manier om elkaar te begroeten. Maar uit het feit dat déze moslima dat niet (meer) vindt, blijkt al dat handen geven als ‘uniforme begroetingswijze’ op deze school niet meer geschikt is. Er zijn andere manieren om elkaar respectvol te begroeten. Openbare scholen mogen hun personeel (en dus hun leerlingen) niet één dominante manier opleggen.

De school spant zich – op basis van een beargumenteerde pedagogische visie – in om hun in merendeel Turkse en Marokkaanse leerlingen in Nederland gangbare normen bij te brengen. Wie zich niet aanpast, heeft minder kans op een stageplek of een baan. De school wil nadrukkelijk neutraal zijn en heeft daarom bijvoorbeeld ook geen gebedsruimte in de school ingericht. Aan docenten wordt de eis gesteld dat zij „in Nederland geldende en gangbare respectvolle omgangsvormen” bevorderen en handhaven. Discriminatie en vooroordelen zijn in de omgangscode van de school expliciet verboden. Evenals de houding dat „de levenswijze, gewoonten en waarden van de eigen groep beter zijn dan die van een andere groep’’. De school kiest met nadruk voor uniforme regels. Personeel en leerlingen moeten op dezelfde manier respectvol groeten – door een hand te geven.

De Commissie Gelijke Behandeling stelt nu dat handen geven niet per definitie respectvoller is dan het beleefde hoofdknikken onder moslims en dus meer bescherming verdient. Nederland is heel divers, evenals de gebruiken op de arbeidsmarkt. ‘Neutraal’ is dan ook niet hetzelfde als Nederlands. De Wet gelijke behandeling verplicht tot diversiteit, binnen grenzen die de Commissie trekt. Op de moderne openbare school is de praktijk volgens de Commissie verplicht divers. Handen schudden, knikken, licht buigen. Er kan veel, zolang het beantwoordt aan de normen respectvol en fatsoen.

De uitspraak van gisteren past in de relativerende, sterk individuele benadering die de Commissie kiest in de discussie tussen moslims en Nederlanders over handen geven, vasten, bidden, hoofddoeken dragen en gezichtssluiers. Fatsoen kun je ook anders doen, is kennelijk het uitgangspunt van de CGB, zo vatte J. Tichgelaar het samen in de annotatie (NJCM bulletin p. 838) bij de vorige Handengeef-casus (maart 2006).

En als fatsoen anders kan, dan is de Nederlandse norm niet in beginsel maatgevend. Een instelling mag van de Commissie een leerling die geen handen wil geven alleen weigeren als het daardoor „feitelijk onmogelijk” wordt om een baan te vinden. Gaat het om gedrag op een school dan kan het handen geven alleen worden afgedwongen als het niet-schudden een „zo groot bezwaar is” dat het „in redelijkheid niet zinvol zou zijn” om zo iemand aan te stellen of, in dit geval, te handhaven.

Het is voorstelbaar dat een gelovige moslima als lerares respectvol met leerlingen en docenten kan omgaan zonder hen handen te geven. Nederland is geen Frankrijk waar handen geven een dagelijks ritueel is. Hier is het eerder een vorm van representatie, alleen gebruikelijk bij het begroeten van vreemden, het feliciteren of condoleren. De vrijheid van godsdienst weegt dan zwaarder: een (besloten) school biedt gelegenheid om ouders en leerlingen uit te leggen dat een bepaald personeelslid principieel geen handen geeft. Dat zou anders liggen als de lerares ook sterke representatieve taken heeft en dus veel vreemden moet begroeten.

Conclusie: alle politieke druk op inburgering en autochtone normen ten spijt kijkt de Commissie nadrukkelijk, waardeneutraal en met een vergrootglas naar het individuele handelen en de functionele eisen van de organisatie of omgeving. Religieuze kledij mag niet bij voorbaat worden verboden, handen geven is niet per definitie verplicht en een hoofddoek of gezichtsbedekkende sluier is niet steeds uitgesloten. En beoefenaren van godsdiensten worden binnen grenzen beschermd tegen normen die, volgens de Utrechtse omgangscode „niet beter zijn dan die van een andere groep’’.

De uitspraak is na te lezen op www.cgb.nl/cgb250.php