Geen debat in land van arrogante opiniemakers

Het debat over de toekomst van Nederland komt niet op gang. Op Balkenendes oproep aan intellectuelen volgde een besmuikte stilte, stellen Jan Schinkelshoek en Ab Klink.

‘Ik heb een ander doel: het opheffen van de strijd uit een nevel van kleingeestige berekeningen en laaghartige driften”, schreef Groen van Prinsterer, een van de christen-democratische aartsvaders, aan de vooravond van de Kamerverkiezingen in 1856. In een brief aan de kiezers probeerde hij de campagne te verleggen naar een „tegenstelling van politieke beginsels” en een „vrijmoedige en openhartige behandeling der publieke zaak”.

Op een soortgelijke manier probeert Jan Peter Balkenende de huidige verkiezingscampagne te tillen naar het niveau waar het – naast thema’s als AOW, hypotheekrenteaftrek en kinderopvang – écht om moet gaan: wat heeft de politiek voor met Nederland?

Dat deed Balkenende met een oproep aan de intelligentsia – gesymboliseerd door Harry Mulisch – om weer iets van maatschappelijk engagement te laten zien: „Waar zijn die boeiende, splijtende, controversiële, politiserende vergezichten over hoe het nog beter kan? Hoe het anders moet?”

Die oproep heeft binnen de intellectuele voorhoede een bijna soortgelijke ontvangst gekregen als Balkenendes eerdere pleidooi voor normen en waarden: een mengeling van besmuikt stilzwijgen en ironisch geglimlach. Die verlegenheid valt des te meer op waar het geklaag over de ondraaglijke leegheid van de verkiezingscampagne – een bekend nummer onder intellectuelen en wat zich ervoor uitgeeft – weer de kop opsteekt.

Het kost enige goede wil om de oproep van de minister-president te verstaan als een poging om de verkiezingscampagne 2006 „op te heffen uit een nevel van kleingeestige berekeningen”. Kennelijk is het comfortabeler om te blijven steken in „cijfers, regels, beleid, vergrijzingsommen en rekenmodellen” dan om het te hebben over visies, idealen en vergezichten.

Zo’n vraag om een Grand Design is zo gek nog niet. Juist nu Nederland economisch het lek boven water heeft, is het nodig om het er met elkaar over te hebben hoe het verder moet. Wat wordt de koers? Wat voor samenleving willen we? Hoe ziet het Nederland van de toekomst er uit?

Na de gouden jaren ’90 is ons land van slag geraakt. De ‘nieuwe economie’ spatte als een zeepbel uiteen, het multiculturele drama tekende zich in alle scherpte af en Paars bleek letterlijk uitgeregeerd. Na eerst een politieke en later een religieuze moord verdiepte de malaise zich tot iets dat verdacht veel op een crisis leek. De jaren vanaf 2002 stonden dan ook in het teken van crisisbestrijding: weg te breken uit de spiraal van onzekerheid, teruggang en negativisme. De kabinetten-Balkenende hebben er de handen vol aan gehad om de gaten te dichten. En nu is er weer ruimte om ons op de langere termijn te richten.

In het verkiezingsprogramma van het CDA worden de contouren geschetst van een open, dynamisch en sociaal Nederland, een land van respect voor elkaar, een land dat de handen uit de mouwen steekt, een land waarin voor iedereen plaats is, een land waarin mensen ook voor anderen hun verantwoordelijkheid nemen. Ja, dit is een ander land dan de generatie van ’68 voor ogen stond. Het is geen land van vrijheid-blijheid, een land waarin alles kan en alles mag, een land waarin iedereen voor zichzelf gaat. Het CDA wil een fatsoenlijk, solide en sociaal Nederland.

Maar het publieke debat over de toekomst komt maar moeizaam op gang. Terwijl een enkele politicus het nog wel probeert, is het „angstwekkend stil” onder intellectuelen, zoals Balkenende schrijft. Ja, men maakt een heleboel lawaai. Maar het is vooral het geschetter en getetter van columnisten dat we horen. Nederland dreigt een land van opiniemakers te worden, van vluchtige, spitse en prikkelende opinies. Soms aardig, soms minder hebbelijk. Altijd wel goed om een paar dagen beziggehouden te worden. Maar van intellectuelen, kunstenaars en wetenschappers mag meer worden verwacht. Een visie bijvoorbeeld, een ideaal wellicht, een Grand Design hopelijk. Anders blijft het debat maar al te snel steken in gesnier, gehakketak en kleingeestigheid. Met als netto uitkomst: verwijdering – zoals zich goed laat illustreren aan het islamdebat.

De zogenaamde intellectuele elite is er erg goed in om uit te leggen wat fout is, hoe het niet moet en waarom de ander het bij het verkeerde eind heeft. Soms vermakelijk om te lezen, maar het is geen debat, geen discussie over ‘onze gezamenlijke toekomst, over dat wat ons bindt, over eenheid en verscheidenheid, over basiswaarden, over identiteit, over de vraag hoe we de wereld weer meer leefbaar kunnen maken’ (Balkenende).

Zelfs Ian Buruma beklaagde zich over het schrale opinieklimaat. „Verschillen van mening, die juist tot een interessant debat hadden kunnen leiden, werden eerder verdoezeld door de stortvloed van feitelijke trivia”, stelde hij bijna ontgoocheld vast na de benepen ontvangst van zijn analyse van het Nederland-na-de-moord-op-Van Gogh. Eerder was Geert Mak (Gedoemd tot kwetsbaarheid) een soortgelijke bejegening ten deel gevallen.

Als de ‘linkse kerk’ al niet meer bestaat, heeft zich een ander, even onverdraagzaam en vooral luidruchtig genootschap van opiniemakers gemeld. Men roept om debat, maar blokkeert het door neerbuigendheid en arrogantie. Misschien wel daarom zwijgen veel intellectuelen, schrijvers en kunstenaars besmuikt. Wat resulteert is een verschraling waartegen Groen van Prinsterer anderhalve eeuw geleden al opkwam: „Alleen door rondborstig openleggen en toetsen van politieke beginsels geeft het werk der verkiezing aan de volksvertegenwoordiging zedelijke kracht. Hierdoor alleen legt het tusschen kiezer en gekozene een waardigen band.”

Jan Schinkelshoek, oud-hoofdredacteur van de Haagsche Courant, is kandidaat voor de Tweede Kamer voor het CDA. Ab Klink is directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA.