...en ze landden in de zandbak van 150 jaar Haagse traditie

Het vertrouwen in de politiek is minimaal, bleek vorige week uit een groot onderzoek onder kiezers.

Jonge politici schreven drie jaar geleden een pamflet: alles moest anders. Dat lukte niet.

PvdA-Kamerlid Diederik Samsom herinnert zich nog wat hij dacht toen hij in januari 2003 voor het eerst door de Tweede Kamer liep. „Ik ben van een nieuwe lichting, een frisse, jonge generatie.” Zijn fractiegenoot Niesco Dubbelboer, ook nieuw, viel „de onzekerheid” op van de zittende politici. „Den Haag was niet langer het epicentrum van het debat. Dat was verplaatst naar de straat.”

In de naschokken van grote politieke omwentelingen trad in januari 2003 de meest onervaren Tweede Kamer in de geschiedenis aan. Pim Fortuyn was een jaar daarvoor vermoord, zijn LPF was opgekomen en weer ten onder gegaan, het kabinet Balkenende-I was na 87 dagen gevallen. Niet meer dan de helft van de 150 Kamerleden werkte er langer dan één jaar.

De jonge Kamerleden praatten veel met elkaar over hun nieuwe vak. Ze vonden dat het anders moest. De Fortuyn-revolte had een enorme kloof aan het licht gebracht tussen kiezers en politici, vonden ze. Er ontstond een groep, die ging eten in perscentrum Nieuwspoort. Niesco Dubbelboer en Diederik Samsom zaten erbij, Ayaan Hirsi Ali (VVD) schoof aan, de CDA’ers Mirjam Sterk en Jan de Vries, LPF’er Joost Eerdmans en de D66’ers Lousewies van der Laan en Boris van der Ham.

Diederik Samsom: „We zeiden: laten we nou eens boven partijpolitiek en verkiezingsprogramma’s uitstijgen.” Mirjam Sterk: „We hadden allemaal het gevoel dat we de stem van het Fortuyn-electoraat moesten vertolken.” Boris van der Ham: „Ik hoorde in de Kamer, óók in mijn eigen fractie, opmerkingen als: ‘Die motie van de SP steunen we niet, dat gunnen we ze niet.’ Vreselijk vond ik dat. Ik voelde een sfeer van mensen die elkaar vliegen afvangen.”

Het idee ontstond om een manifest te schrijven, waarin duidelijk zou worden dat de nieuwe generatie politici het allemaal anders zou gaan doen. Dubbelboer gaf de groep een naam: De Nieuwerlingen. Een woordspeling op ouderlingen, die in de protestantse kerk de tradities handhaven.

De groep bedacht dat het wekelijkse vragenuur op dinsdagmiddag als eerste moest sneuvelen. Het was het symbool van oude politiek. Diederik Samsom: „Iemand stelt een vraag, een minister antwoordt vervolgens staan alle Kamerleden rond die pisgoot te dralen om ook wat te zeggen.” Boris van der Ham: „Joost Eerdmans en ik zouden dit samen in een debat over de werkwijze van de Kamer inbrengen. Maar het mocht niet. We waren geen officiële fractie.” Samsom: „Je loopt vast in structuren. Iedereen wil het anders, maar dan loop je tegen de mechanismen van het politieke bedrijf op.”

Diederik Samsom zegt nu dat het parlement er de laatste jaren „niet krachtiger” op is geworden. „We kwamen hemelbestormend binnen, maar liepen vast in de zandbak van 150 jaar traditie. De generatie Kamerleden die na ons komt, zal zich ongetwijfeld ook tegen ons afzetten.”

In die eerste maanden van 2003 hadden de jonge politici veel moeite met de Haagse mores. Boris van der Ham, lid van voormalig coalitiefractie D66, zette in 2003 zijn handtekening onder een ‘motie van treurnis’ van de ChristenUnie tegen VVD-minister Remkes. Een motie die Remkes in politieke problemen kon brengen. Fractievoorzitter Boris Dittrich greep meteen in – en kreeg gedaan dat Van der Ham zijn steun aan de motie introk. „Dat was mijn eerste lesje in bescheidenheid.”

Niesco Dubbelboer herinnert zich zijn ‘maidenspeech’, over ‘stemmen via internet’. Ella Kalsbeek, zijn mentor uit de fractie, had veel kritiek. Hij had ‘ik vind’ gezegd, terwijl hij had moeten zeggen dat ‘mijn fractie’ iets vindt. En hij had de toeschouwers op de publieke tribune direct toegesproken. Dat kon al helemaal niet, hij had de voorzitter moeten toespreken.

Toen De Nieuwerlingen het manifest ondertekenden, was Mirjam Sterk al afgehaakt, net als de andere CDA’ers en VVD’ers. Ze mochten niet langer meewerken van hun fractievoorzitters.

De vijf achterblijvers spraken er schande van. Boris van der Ham: „Zij kozen eieren voor hun geld. Als je in je fractie goed wilt vallen, moet je geen dwarsligger zijn.” Niesco Dubbelboer: „Het was jammer. We dachten: laten we nou eens niet aan partijpolitiek doen en gewoon zeggen wat ons opvalt. Dat bleek te veel gevraagd voor de CDA’ers en VVD’ers.”

Onzin, zegt Sterk. „Het manifest werd me wat te pretentieus. Ik was het ermee eens dat politici dicht bij mensen moeten staan. Maar ik dacht ook: wacht even, uiteindelijk is het bestuur van het land uitbesteed aan de politiek.” Politici, zegt Sterk, „praten soms met te veel dédain over hun vak. We moeten niet doen of alles saai en grijs is wat hier gebeurt.”

Mirjam Sterk heeft sinds haar aantreden hard gewerkt om te kunnen slagen als Kamerlid. „Een voorbeeld: als je iets gedaan wilt krijgen, ga je je ideeën niet op de wekelijkse fractievergadering op dinsdag presenteren. Je moet voorwerk doen: alvast individuele fractiegenoten voor je plan winnen. Anders kan het ten onder gaan in de fractievergadering en heb je al je werk voor niets gedaan.”

Net als iedere nieuwe CDA’er heeft Mirjam Sterk de trucjes moeten leren van Wim van de Camp, Kamerlid sinds 1986. Iedere donderdagmiddag kreeg ze les, elke week over een ander thema. „Wat is een motie? Wanneer stel je Kamervragen? De foefjes en trucjes.” Maar vooral leerde Sterk dat „je hier niet op je plek zit als je het politieke spel niet weet te waarderen. Je mag idealistisch zijn, maar je moet niet blind zijn.”

Lousewies van der Laan heeft geleerd dat veel slechte gewoonten van de Tweede Kamer niet af te leren zijn. „Oppositiepartijen vinden het vreselijk om toe te geven dat de coalitie iets goed doet. En coalitiepartijen CDA en VVD nemen hun controlerende taak niet voldoende serieus. Dat draagt bij aan een gevoel van onbehagen.”

Maar, zegt ze ook: „Ik heb twee dingen geleerd. Politici zijn doorgaans hardwerkende, goede mensen die problemen van burgers willen oplossen. En: het valt wel mee met die kloof. Mensen herkennen je op straat, ik krijg tientallen mailtjes per dag.”

Niesco Dubbelboer zegt dat er wel degelijk „winst is geboekt”. Hij noemt het Burgerinitiatief en het referendum voor de Europese Grondwet. Dubbelboer en Van der Ham dienden, met Farah Karimi van GroenLinks, een initiatiefwetsvoorstel in om dat referendum mogelijk te maken.

En, zegt Dubbelboer, „er zijn deze periode veel meer spoeddebatten aangevraagd. Daardoor reageert Den Haag snel als er opschudding is. Ik vind het goed dat we vaker ministers naar de Kamer roepen.”

Joost Eerdmans vindt dat de jongeren alleen echt tevreden kunnen zijn over het Europees Referendum. „Toen werd eindelijk de belofte waargemaakt dat de politiek luistert naar de kiezer. Overigens is het wel een drama dat de Kamer het ‘nee’ tegen de Grondwet niet zag aankomen en massaal voor was.”

Verder is er weinig gebeurd, zegt Eerdmans. „De debatten duren nog even lang. Onzinnige Kamervragen zijn er nog steeds. Aan de vriendjespolitiek hebben we niks kunnen doen, politieke benoemingen zijn er nog altijd.” Dubbelboer: „Sterker nog, het worden er alleen maar meer. Ik ben het nu in kaart aan het brengen. Vooral bij topambtenaren op ministeries is het erger geworden.”

Boris van der Ham: „De Tweede Kamer verander je niet zo snel. Je moet stapje voor stapje verder gaan.”

Diederik Samsom: „Dat heb ik bij Greenpeace ook geleerd. Als je steeds speldenprikjes uitdeelt, komt er vanzelf iets in beweging. Je moet alleen wel accepteren dat het langzaam gaat.”