De uitzondering blijft de regel

Opnieuw zijn de landen van de Europese Unie er onderling niet in geslaagd een akkoord te bereiken over de maximaal toegestane werkweek. Een onoverbrugbare ideologische tegenstelling verdeelt Europa.

Hoeveel uren mag een werknemer in Europa werken? Gaat het om een kwestie die, in de woorden van de Franse minister van Sociale Zaken Gérard Larcher „de kern van het sociale Europa raakt” of moet, zoals zijn Britse collega Alistair Darling het gisteren stelde, de Europese Unie „verschillen tussen de lidstaten accepteren”.

In elk geval zijn de verschillen van mening zo groot dat de Europese Unie er gisteren opnieuw niet uit is gekomen. Finland was de vijfde roulerend EU-voorzitter die de handdoek in de ring gooide. Eerder deden Nederland, Luxemburg, Groot-Brittannië en Oostenrijk al vergeefse pogingen om de zaak over de maximaal toegestane arbeidstijden tot een oplossing te brengen.

De zaak zit muurvast op het principe. Landen als het Verenigd Koninkrijk en Polen vinden dat het niet aan de Europese Unie is om voor te schrijven hoeveel uren de maximale werkweek mag bedragen. Daartegenover staat de visie van Frankrijk, Spanje, Italië, Griekenland en Cyprus die menen dat een dergelijke bepaling wel degelijk een taak is voor Europa. „Dit is een van de fundamentele bepalingen om werknemers te beschermen”, aldus de Fransman Larcher. De overige landen, waaronder Nederland, nemen een pragmatische positie in. Een maximale werkweek moet op Europees niveau worden voorgeschreven, maar er moet onder voorwaarden van afgeweken kunnen worden.

Europese wetgeving kent al langer de clausule dat de werkweek maximaal 48 uur mag bedragen. Die lijkt strenger dan ze is. Het gaat om een gemiddelde werkweek gemeten over een half jaar. Als vakanties en andere vrije dagen verdisconteerd worden, komt de gemiddelde werkweek al snel een aantal uren hoger uit. Alleen Groot-Brittannië bedong een uitzonderingspositie en hanteert dit voorschrift niet.

De maximale werkweek kwam in 2003 ter discussie te staan na een nieuwe uitspraak van het Europees Hof van Justitie in Luxemburg in een zaak die een Duitse arts in opleiding had aangespannen tegen zijn werkgever. Hij betwistte dat zijn wachttijden niet als gewone arbeidstijd werden meegerekend en kreeg hierin van de allerhoogste rechter gelijk. Paniek in de gezondheidszorg en bij andere instellingen waar veel met wachtdiensten wordt gewerkt, zoals de brandweer. Want als wachttijden moeten gelden als arbeidstijden, zou dat bij de door Europa voorgeschreven maximale werkweek van 48 uur tot enorme personeelstekorten leiden.

Vandaar dat naar een oplossing werd gezocht waarbij enerzijds recht werd gedaan aan de uitspraak van de rechter in Luxemburg en anderzijds de Europese bepalingen over de werkweek werden gerespecteerd. Daarvoor moesten de regels over de maximale werkweek wel worden aangepast. Volgens een voorstel van de Finnen zou onder bepaalde omstandigheden, zoals bij wachtdiensten, een gemiddelde werkweek van 60 uur worden toegestaan. Frankrijk wilde alleen akkoord gaan met deze uitzondering als die tijdelijk zou zijn. Op den duur moest de maximale werkweek van 48 uur voor alle EU-lidstaten bindend zijn. Dit stuitte echter op bezwaren van de Britten, die hun eigen regels willen kunnen blijven stellen.

Een nieuwe poging, dit keer door de Duitsers, die vanaf 1 januari voorzitter zijn, wordt vooralsnog uitgesloten. Europees Commissaris Spidla (Sociale Zaken) zei gisteren zich te beraden. In elk geval zal hij de landen moeten aanklagen die nu in strijd met de uitspraak van het Europees Hof handelen. Dat doen volgens hem om 23 van de 25 lidstaten.