De scherven van Amerika

New York. Twee jaar geleden werd president George W. Bush met een grote meerderheid herkozen. „Dit is mijn politieke kapitaal en dat ga ik gebruiken”, zei hij. Gisteren hebben de kiezers daarover hun oordeel gegeven. Vernietigend. Het Huis van Afgevaardigden heeft nu een Democratische meerderheid. Op het ogenblik dat ik dit schrijf is de uitslag van de verkiezingen voor de Senaatszetels nog niet volledig bekend. De kandidaten om wie het gaat zijn in een nek-aan-nekrace verwikkeld, wat op zichzelf al veel zegt. Er is in ieder geval geen Republikeinse meerderheid meer. Mogelijk moet er een hertelling komen. Uit een gisteren gehouden opinieonderzoek blijkt dat 62 procent het Congres wantrouwt, 42 procent vindt corruptie het grootste probleem. Daarna komen het terrorisme, de economie en de oorlog in Irak. Deze verkiezingen worden beschouwd als een referendum over de president en de oorlog. De president heeft het verloren.

Het heeft lang geduurd voor de meerderheid van de kiezers deze regering en de Republikeinen heeft doorzien. Na zijn herverkiezing heeft Bush zijn geestverwanten in het Congres meer als een claque dan als een vergadering van volksvertegenwoordigers beschouwd. En dat hebben de dames en heren zich laten gebeuren. Geen kritische vragen over Irak, geen tegenspraak over de belastingverlagingen, geen drang naar helderheid over Guantánamo of over de speciale ondervragingen in geheime CIA-gevangenissen. Over de herkomst van de valse inlichtingen over de massavernietigingswapens van Saddam Hussein, die de eigenlijke reden tot oorlog waren, is geen onderzoek van betekenis gedaan. De president en zijn onmiddellijke omgeving hebben zich de facto gedragen als absolute heersers. De Republikeinse meerderheid is daaraan voortdurend medeplichtig geweest.

Er is een redelijke kans dat met deze Democratische meerderheid in het Huis van Afgevaardigden het systeem van checks and balances wordt hersteld, wat dan betekent dat het met het ongestoorde comfort van de president cum suis is afgelopen. In een vastberaden overwinningsrede heeft Nancy Pelosi, de nieuwe Speaker of the House een wijziging van de koers in Irak aangekondigd. ‘Het Amerikaanse volk wil verandering’, is de leuze. Maar de president heeft nog altijd zijn veto en we weten niet hoe hij met zijn ideologische hardnekkigheid op deze uitslag zal reageren. In de afgelopen zes jaar heeft hij bewezen een slecht verliezer te zijn, bovendien iemand die zich met groot talent doof kan houden voor fundamentele kritiek en blind is voor tegenslag. Het is lang niet uitgesloten dat Amerika nu twee jaar van stagnatie tegemoet gaat. Dit zou onder de nu heersende omstandigheden niet alleen een ramp voor Amerika kunnen zijn; het zou het hele Westen raken.

De begeerde en noodzakelijke verandering zal al moeilijk genoeg zijn. Aan de chaos in Irak moet een einde komen, maar ook bij de Democraten bestaan geen duidelijke denkbeelden over hoe dat vraagstuk moet worden aangepakt. Bovendien is onder het bewind van Bush Irak deel van het grote complex in het Midden-Oosten geworden. Daarvan maken ook Iran en Syrië deel uit – en Israël dat met stilzwijgende instemming van deze Amerikaanse regering het conflict met de Palestijnen tot een nieuwe uitzichtloosheid heeft bevorderd. Afghanistan heeft in deze verkiezingen geen rol gespeeld, maar ook dit probleem ligt weer levensgroot op het bord. Europa is wel aandeelhouder in de buitenlandse politiek van Bush, maar heeft geen stemrecht en telt alleen mee als het ja zegt.

Het voorlopig saldo van zes jaar Bush is dat het Amerikaanse gezag en zijn macht in de wereld zijn afgebrokkeld. In een interview met deze krant (4/5 november) sprak de Britse historicus Tony Judt van ‘de Amerikaanse neergang’. Het land sluit zich van de wereld af, wordt een ‘gated community’ zei hij. ‘Het Amerikaanse aanzien in de wereld is lager dan ooit.’ Hij is van mening dat Europa in dit gat zou moeten springen, maar hij zei er niet bij hoe dat dan zou moeten gebeuren. Mij dunkt dat het zonder de bondgenootschappelijke instemming niet zou gaan. En juist zo’n bondgenootschappelijke instelling is het bewind van Bush vreemd.

Als de Democraten serieus de consequenties uit hun overwinning trekken, zullen ze eerst puin moeten ruimen op alle gebieden: de belastingen, de gezondheidszorg, de rechtspraak en vooral ook de buitenlandse politiek. De tekening op het omslag van The New Yorker van deze week geeft de situatie scherp weer. De president staat in een porseleinwinkel waar alles kort en klein is geslagen. De boze kiezer heeft schreeuwend zijn beschuldigende vinger geheven. George Bush trekt het gezicht van de vermoorde onschuld en wijst op zichzelf. Wie? Ik?

Ja, u mijnheer de president.