De muzen van Scorsese

De rubriek ‘Bijzien’ zet elke week een film in bredere context. Deze week hoe regisseur Martin Scorsese in voormalig tieneridool Leonardo DiCaprio zijn nieuwe Robert De Niro vond.

Zelf zegt hij het zo: „Nadat ik met Leo heb gewerkt aan Gangs of New York en The Aviator begrijp en herken ik iets van hem. Er gaat als hij acteert, emotioneel gezien een hoop door hem heen. Dat was voor mij interessant: want het herinnerde me sterk aan De Niro.’’

Aan het woord is Martin Scorsese tegen een journalist van The Guardian Sinds zijn doorbraakfilm Mean Streets (1973) is de Amerikaanse regisseur chroniqueur van rusteloos en ruig New York, gepersonifieerd in de onrust die onder de huid van acteur Robert De Niro borrelt.

Acht films zouden regisseur en acteur samen maken, in een periode van ruim twintig jaar. De regisseur zou er gevierd door worden, de acteur werd een ster. Tot het na Casino (1995) plotseling afgelopen was. De Niro raakte op drift in komedies en drakerige drama’s en Scorsese hield zich bezig met het conserveren van de Italiaanse filmklassiekers uit zijn jeugd en muziekdocumentaires.

En de Leo uit het citaat is natuurlijk Leonardo DiCaprio, voormalig ster van Romeo + Juliet (1996) en Titanic (1997) en sinds Gangs of New York (2002) Scorsese’s nieuwe muze. En als je hun nieuwste film The Departed hebt gezien, is er geen twijfel meer mogelijk waarom.

Daarvoor moeten we toch even terug naar dat nerveuze jongetje dat Martin Scorsese was toen hij in 1964 van de New Yorkse filmacademie afkwam, maar die, als hij een eerdere roeping had gevolgd, rooms-katholiek priester was geworden.

Met een hoofd vol films die hij als ziekelijk kind had gezien en een hart vol good old katholiek zondebesef keek de jonge Scorsese naar de straten waarin hij was opgegroeid en hij begon ze te filmen. Vanaf dag 1 was hij een auteur. Een man met een verhaal. En dat verhaal ging zonder uitzondering over de maatschappelijke outcasts, de psychopaten, degenen die koste wat het kost erbij wilden horen. Onrustige, explosieve types. Zo’n beetje als hij zelf, als hij niet zo’n leuk ratelend Italiaantje was geweest die alles in woorden en beelden kon sublimeren.

Het is dat wat we terug zien in de acteurs die hij graag cast: de explosieve Harvey Keitel, de kleine gifkikker Joe Pesci en natuurlijk in zijn twee muzen, Robert De Niro en Leonardo DiCaprio.

Het zijn allemaal acteurs die je ziet lijden als ze spelen. Die een existentieel ongemak verbeelden dat op het filmdoek betovert en hypnotiseert. De Niro’s befaamde ‘tics’ zie je nu ook onder de van hun puppyvet verloste wangen van DiCaprio opdoemen. Alsof daar steeds een stem zegt: niet doen, niet acteren, niet jezelf laten zien.

Zowel De Niro als DiCaprio zijn acteurs die over hun vak toegeven dat ze het beoefenen omdat ze niet weten wie ze zijn, en doodsbang zijn dat ze niemand zij. Het enige dat ze zeker weten is dat ze hun personages níet zijn. Het is een soort publiekelijk exorcisme. Het zijn acteurs die doen waar Scorsese’s films over gaan.