Bloei of stilstand

De Surinaamse economie bloeit. De mondiaal hoge grondstoffenprijzen brengen geld in het laatje. Maar de afhankelijkheid van grondstoffen toont ook de kwetsbaarheid van het land.

In het moeras bij de voormalige plantage Huwelijkszorg scheuren contractarbeiders rond in air boats. De bootjes, aangestuurd door gigantische propellers, brengen hen van oliebron naar oliebron, de gele pompsystemen die hier en daar boven het water opduiken. Dit is het nieuwste olieveld van Staatsolie. Het Surinaamse staatsbedrijf wilde hier snel gaan boren, dus er was geen tijd om de ‘zwamp’ droog te leggen.

Door de enorme stijging van de mondiale olieprijzen en de verhoogde productie boekt Staatsolie recordresultaten. Wegens de stijging van andere mondiale grondstoffenprijzen geldt hetzelfde voor de bedrijven die Surinames overige rijkdommen – bauxiet en goud – opgraven. Het geeft de Surinaamse economie een sterke impuls, tenslotte is de export van grondstoffen goed voor zo’n 60 procent van het bruto binnenlands product. De economische groei van zo’n 5 procent die het land vorig jaar haalde, heeft het dan ook aan zijn grondstoffen te danken.

Maar de afhankelijkheid van grondstoffen maakt de Surinaamse economie kwetsbaar. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF), dat elk jaar een analyse van Suriname maakt, is weliswaar positief over de economische stabiliteit, het begrotingstekort, de inflatie en de stabiele wisselkoers. Maar de overheidsinkomsten zijn zó gevoelig voor prijsschommelingen in de grondstoffensector dat, als de door sommigen verwachte prijsdaling doorzet, deze stabiliteit meteen weg kan zijn. Het IMF pleit er al jaren voor dat de extra inkomsten uit grondstoffen worden gestort in een stabiliteitsfonds en het geld niet meteen wordt opgemaakt.

De monocultuur is een van de grootste problemen van de Surinaamse economie. Andere sectoren komen niet van de grond. Zo’n 60 procent van de Surinaamse beroepsbevolking werkt bij de overheid of bij een van de ruim honderd staatsbedrijven. Deze problemen spelen al decennia, maar almaar worden ze niet aangepakt. De waardering die de bevolking heeft voor de stabiliteit van de regering-Venetiaan, die nu zes jaar aan de macht is, neemt de klachten niet weg. Men klaagt collectief over stilstand.

Aan het investeringsklimaat is nog aldoor niets verbeterd, vinden Sylvia Ang en Rahid Doekhie van de Associatie van Surinaamse Fabrikanten (ASFA). Het duurt volgens hen minstens zeven maanden om een NV op te richten. Krediet krijgen kan alleen met een onderpand van zo’n 150 procent. En de overheid werkt ondernemerschap tegen door ad hoc regelgeving uit te vaardigen. Doekhie: „Dan zeggen ze op 31 maart dat er vanaf 1 april accijns wordt geheven op gebotteld water en stroop [limonade, red.].” Ook de grote macht van de vakbonden is volgens de ASFA een probleem. Ang: „Vakbond betekent hier: staken.”

Surinaamse rijst was wereldberoemd, maar nu is de sector kwijnende en heeft Guyana het land ingehaald. De Surinaamse productieve sector heeft moeite te concurreren binnen de Caricom, de vrijhandelszone in het Caraïbisch Gebied waar het land lid van is. Doekhie: „Guyana heeft gezegd: wij willen die markt veroveren, dus we vechten ervoor. Als de EU weer een of andere certificering verzint, dan regelen ze dat. Wij hebben dat nagelaten.”

Jonge Surinamers dromen van een baan als ambtenaar of bij Staatsolie. Het particuliere ondernemerschap dat er is, manifesteert zich ondergronds. De informele economie van Suriname wordt geschat op 30 tot 50 procent van het bbp. Dat gaat van vrouwen die op de hoek van de straat zuurgoed verkopen tot Nederlandse Surinamers die euro’s naar hun familie sturen, maar ook om Brazilianen die het goud met kilo’s tegelijk uit het binnenland halen. En dan valt de ‘narconomie’ nog buiten die 30 tot 50 procent. Cijfers zijn er niet. Maar heel Suriname weet dat de mooie auto’s, de horeca, de casino’s en de paleizen die uit het niets aan de Anton Dragtenweg (aan de Surinamerivier) verrijzen worden gefinancierd met drugsgeld.

De versterking van de private sector is een voorwaarde om de broodnodige sanering van de overheidssector uit te voeren. Nu gaat zo’n 40 procent van het overheidsbudget op aan salarissen, blijkt uit een analyse van de Hakrinbank. Als het aantal ambtenaren flink wordt verminderd, moeten er dus gezonde particuliere bedrijven zijn waar deze mensen kunnen werken. Dat de reorganisatie van de publieke sector almaar op zich laat wachten, komt door het patronagesysteem in de Surinaamse politiek, zegt Jim Bousaid, econoom en directeur van de Hakrinbank. „Aanhangers worden beloond met een baan bij de overheid. Dat moet eruit.”

Zolang de Surinaamse economie niet méér divers wordt, blijft het land afhankelijk van zijn grondstoffen. Probleem daarbij is, zegt Bousaid, dat de winsten vooral terechtkomen bij buitenlandse investeerders. Die profiteren van de hausse. Veel Surinamers hebben twee banen om rond te komen. Alleen van olie-inkomsten krijgt de Surinaamse schatkist een aanzienlijk deel, dankzij Staatsolie. Maar bauxiet wordt – volgens oeroude contracten – opgegraven door BHP Billiton en Suralco, een dochterbedrijf van het Amerikaanse Alcoa. Een paar jaar geleden tekende Suriname een contract met het Canadese Cambior voor de exploitatie van een goudmijn. Suriname zag ervan af een belang van 20 procent te verwerven. Dat leek toen niet haalbaar. Het heeft nu 5 procent. „Tot nu toe is het zo dat Suriname wordt kaalgeplukt”, meent Bousaid. „Ik vind dat we meer guts moeten hebben en zelf moeten participeren in de exploitatie van grondstoffen.”

Verschillende buitenlandse bedrijven zoeken naar olie voor de kust van Suriname. Als ze olie vinden, kan Suriname tot 20 procent meedoen met de exploitatie, zonder de onderzoekskosten te hoeven terugbetalen. Nemen de olieopbrengsten hierdoor verder toe, dan wordt ook het risico groter dat geboefte zich op de sector stort. Vandaar dat Marc Waaldijk, directeur van Staatsolie, vindt dat de overheid nu al moet beginnen de instituties die erover gaan te versterken. Hij is voorstander van een stabilisatiefonds waarin de extra olie-inkomsten worden gestort. Maar in Suriname, zo klaagt menigeen, komt zoiets niet van de grond en worden vooral brandjes geblust. „Door een gebrek aan leiderschap, visie en sterke economische instituten zoals een planbureau, worden onze mogelijkheden niet gerealiseerd”, meent Bousaid. Waaldijk kan het beamen: „Als je continu bezig bent met brandjes blussen, is het inderdaad moeilijk zoiets op te zetten.”