Zijn medewerkers deelden flyers uit, en flesjes Wilderswater

Loopt Geert Wilders flyers uit te delen op de markt in Apeldoorn, zegt een voorbijganger: „Nee dank u, meneer Wilders, ik ben helemaal D66.” Zegt Geert Wilders: „Dan mag er een standbeeld voor u opgericht worden.”

Geert Wilders deed het gisteren goed op de markt in Apeldoorn, waar hij de dialoog aanging met de man in de straat. Zijn medewerkers deelden flyers uit, en flesjes Wilderswater. Iedereen kreeg een flyer, behalve vrouwen met hoofddoeken, viel me op. Maar ja, van Wilders mag ook iedereen naar de school die hij wil – christenen naar christelijke scholen, joden naar joodse scholen – behalve moslims. Dus er zat wel lijn in dat flyerbeleid.

Geert Wilders heeft niet het charisma van een Frans Bauer, maar hij had een betoverende uitwerking op de meeste mensen op de markt. Vooral op oude vrouwtjes. Die wilden allemaal met hem op de foto. Wilders deed dat graag, en gaf foto-aanwijzingen. „Een beetje naar achteren,” dirigeerde hij de fotograferende echtgenoot van een oud vrouwtje. „Dat is mooier.” Daar had Wilders gelijk in. Bij hem geldt: des te verder naar achteren met die camera, des te mooier.

Al met al had ik het gevoel in een surrealistische film te zijn beland. Dit gevoel heb ik regelmatig sinds ik met de Politici Waar Ik-serie begonnen ben. Het was twaalf uur, en het luchtalarm ging af. Tegelijkertijd begon iemand fanatiek te spelen op het carillon van de Apeldoornse kerk. Het was zo’n moment waarop ik er niet van had opgekeken als dit het einde der tijden was. Lopend over de Apeldoornse markt, aan de zijde van Geert Wilders, mijn hoofd schurend langs uitgehangen polyester onderbroeken, met het loeiende luchtalarm, het klingelende klokkenspel, en in mijn hand een flyer met termen als ‘straatterrorist’ en ‘heropvoedingskamp’– het moest niet veel gekker worden.

Dat werd het natuurlijk wel. Een medewerkster van Wilders had bij de knopenkraam een vrouw opgeduikeld die er klaar voor was om tot het Wildersdom bekeerd te worden. Bijna klaar, in ieder geval. „O, Geert is gék op katten”, hoorde ik de medewerkster tegen de vrouw zeggen. „Echt gék op katten. U kunt hem een hand geven!” De vrouw gaf Geert een hand en zei: „Ik twijfel tussen u en de Partij voor de Dieren.” Waarop Geert onmiddellijk antwoordde: „De dieren hebben het bij ons heel goed.”

De dieren wel.

Aaf Brandt Corstius