Spooknaam

Mensje van Keulen, nee, Van der Steen, wacht, mevrouw Francina heeft een probleem met haar naam. Lang dacht ze te weten hoe ze heette, maar de Kiesraad brengt haar danig in verwarring.

Ik maakte deel uit van een geding, maar wat was er nu helemaal in het geding? Mijn naam, drie woorden op de kandidatenlijst voor de Partij voor de Dieren, en die mochten er van de Kiesraad niet op, althans niet alledrie.

Voor de eerste keer in mijn leven werd ik, in een zaal van de Raad van State, hardop aangesproken met ‘Mevrouw Van der Steen’.

De secretaris-directeur van de Kiesraad deed dit met niet al te veel nadruk, maar de vertegenwoordiger van het Hoofdstembureau Den Haag liet het ‘Van der Steen’ meerdere malen klinken alsof hij het me eens flink wilde inpeperen.

Het was mooi geweest dat ik in 1966 van de wet mocht kiezen voor de achternaam van mijn echtgenoot, maar wat had ik er hier, in het tot in de uithoeken perfect geschilderde gebouw aan de Kneuterdijk, nog aan?

Tweeënhalf jaar geleden, bij de verkiezing voor het Europees Parlement, was het Maarten ’t Hart die, omdat hij niet over een paspoort beschikte, niet op de lijst mocht staan. Zijn voorstel persoonlijk bij de Kiesraad langs te komen om te bewijzen dat hij bestond, mocht niet baten. In het programma Nova werd hem door interviewer Jeroen Pauw dan ook met een knipoog gevraagd: „Bent u het wel?”

Deze keer had de Kiesraad een negatief advies over mijn naam naar de kiesdistricten doen uitgaan, omdat bleek dat ik een nieuwe partner had. Waarom mocht de naam ‘Van Keulen’ dan ruim een jaar na mijn partnerregistratie wel op de lijst voor het Europees Parlement? Dit was een van de argumenten van Marianne Thieme, partijvoorzitter van de Partij voor de Dieren en juriste, in haar pleidooi om de naam ook voor de kieslijst voor de komende verkiezingen te behouden.

In plaats van toe te geven dat mijn paspoort destijds een geldig identiteitsdocument was, riep de reactie van de tegenpartij een sfeer op alsof mevrouw Van der Steen gesjoemeld had. Een en ander werd nog verwarrender toen de voorzitter van de Raad van State me, alvorens me het woord te geven, aansprak met ‘Mevrouw Francina’, mijn tweede voornaam.

Ik verwachtte niet dat er erg veel kans bestond met succes aan de artikelen van de Kieswet te tornen, maar er was reden genoeg om het te proberen. Bovendien was mij nooit verteld dat ik mijn naam zou kunnen kwijtraken en de keuze van destijds dus een privilege van niks betekende.

En zo stond ik daar met mijn verklaring dat ik mijn naam nooit als een pseudoniem had beschouwd. Dat mijn zoon Van Keulen heette en dat de naam niet alleen al veertig jaar op mijn voordeur stond, maar ook op mijn bankafschriften, pasjes, lidmaatschappen, abonnementen, mijn post, mijn boeken. Dat ik het zou betreuren wanneer mijn hoedanigheid als schrijver, gekoppeld aan mijn lijstduwerschap, zomaar zou worden weggegumd.

De vertegenwoordiger van de tegenpartij viste er een paar woorden uit: „Pasjes? Een of ander abonnement?” Hij vond dat mevrouw Van der Steen het te bont maakte en zei smalend: „Iedereen kan wel op zo’n lijst gaan staan met een spooknaam.”

Spooknaam? Wat een merkwaardig woord. Het voelde nu niet alleen of het bestaan van mijn naam werd ontkend, maar of ik al verscheiden was.

Zodra dit onderdeel van de zitting was afgelopen, verdween de vertegenwoordiger schielijk. De secretaris-directeur van de Kiesraad moest nog even blijven. Er diende nog een beroep tegen het kiesdistrict Maastricht. Kunstenares en lijstduwer Gerti Bierenbroodspot mocht daar namelijk niet op de kandidatenlijst, omdat haar handtekening niet goed gelijkend was bevonden.

What’s in a name, dacht ik, toen de voorzitter van de Raad van State mevrouw Thieme en mevrouw Francina gedag zei. Gerard van het Reve had ten tijde van mijn debuut eens opgemerkt dat hij dacht dat mijn naam de titel was. Hij had aardig gelijk gekregen.