Opgesloten kunnen ze geen kwaad

De aanklagers eisten gisteren hoge straffen tegen de terreurverdachten in het Piranha-proces. De aard van de misdrijven én de verdachten rechtvaardigen volgens justitie zware celstraffen.

„Hebben de verdachten het licht gezien en wilden zij werkelijk in een kruistocht de islamitische staat vestigen?” Officier van justitie B. Den Hartigh gaf zelf het antwoord op zijn eigen vraag. Dat klinkt bijna belachelijk, zei Den Hartigh in het Piranha-proces tegen zes terreurverdachten. „De buitenproportionele ambities van de kernleden roepen de vraag op of ze wel voldoende realiteitszin hebben.” En dat maakt hen volgens het OM ook juist zo gevaarlijk. „Aanslagen waren een kwestie van tijd.”

Met de straffen van vijftien jaar voor Samir A., nog eens vijftien voor Mohammed C. en ‘ slechts’ twaalf voor Noureddine El F. die het openbaar ministerie (OM) gisteren eiste in de zwaarbeveiligde rechtbank in Amsterdam-Osdorp, wil de officieren van justitie in de eerste plaats de samenleving zo lang mogelijk bescherming tegen deze hoofdverdachten. Zij hebben de illusie opgegeven dat de verdachten ooit hun gewelddadige ambities zullen begraven en als gewone ‘eerzame’ burgers door het leven willen of zullen gaan. Daar is hun persoonlijkheid én ideologie niet naar.

Het OM beseft ook dat hun strafeisen aan de hoge kant liggen vergeleken bij ‘gewone’ strafzaken met ‘gewone’ misdrijven. De hoofdverdachten bezaten vuurwapens, vormden gezamenlijk een criminele organisatie, rekruteerden anderen voor de gewapende strijd, en zij troffen voorbereidingen om aanslagen te plegen op politici en de inlichtingendienst AIVD – hun aartsvijand volgens het OM. En dit alles deden ze met terroristisch oogmerk. De nieuwe wet terroristische misdrijven legt zwaardere straffen op bij misdrijven met terroristisch oogmerk. De verdachten wilden met geweld de Nederlandse politiek beïnvloeden. Ze wilden de democratie in het hart raken, de samenleving angst aanjagen, zeiden de officieren van justitie gisteren.

Zij menen dat met de aanhouding van de verdachten een terroristische aanslag is voorkomen. De verdachten hadden „de plannen en middelen al zeer ruim voorhanden”, zeiden de officieren van justitie gisteren in hun requisitoir. „De aard van deze misdrijven en het feit dat ze worden gepleegd vanuit een bepaalde ideologie, maken dat het gevaar voor herhaling erg groot is”, las Den Hartigh voor uit het requisitoir. Hij doelde voornamelijk op Samir A. Die mag dan pas twintig jaar zijn, dit is al zijn derde aanhouding wegens soortgelijke delicten. A. werd eerder weliswaar vrijgesproken van terroristische handelingen, maar hij is „onverstoorbaar verder gegaan met het realiseren van zijn plannen”. En dat terwijl hij wist dat hij in de gaten werd gehouden door de door hem zo gehate AIVD, aldus Den Hartigh. „Wij hebben dan ook niet de illusie dat verdachte zich door een langdurige gevangenisstraf in de toekomst op andere gedachten zal laten brengen.” Voor de veiligheid van de samenleving moet Samir A. wel „voor lange tijd” opgesloten worden, aldus Den Hartigh. „Zolang hij zich in detentie bevindt, zal hij zijn plannen in ieder geval niet kunnen realiseren.”

Wat het OM meende over Samir A. geldt ook de andere twee hoofdverdachten, zeiden ze gisteren. De samenleving moet liefst blijvend beschermd worden tegen de drie. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het ministerie van Justitie heeft de andere twee ‘kernleden’ al tot ongewenste vreemdelingen verklaard. Ze moeten na het uitdienen van hun straf Nederland verlaten en terugkeren naar hun ‘vaderland’ Marokko. Ook Mohammed C. is tot ongewenst vreemdeling verklaard, maar hij heeft hier een vrouw en een kind en dat bemoeilijkt een beslissing over uitzetting. Samir A. is Nederlands staatsburger en kan niet ongewenst verklaard worden.

De advocaten van de verdachten reageerden furieus op de strafeisen, die zij kwalificeerden als buitenproportioneel. Viktor Koppe, advocaat van de drie hoofdverdachten zei dat het OM het spoor bijster is geraakt. Advocaten van de ‘mindere verdachten’ klaagden dat de aanklagers in de strafeisen nauwelijks onderscheid maken tussen ‘kernleden’ en ‘gewone deelnemers’. Het OM eiste tien jaar tegen Souamaya S., en acht jaar tegen Mohammed H. Zij zouden door de hoofdverdachten ideologisch rijp zijn gemaakt voor de jihad. De naam van de zesde verdachte, Brahim H., werd tijdens het hele proces nauwelijks genoemd, toch eisten het OM een jaar waarvan zeven maanden onvoorwaardelijk tegen hem.

De advocaten houden morgen en overmorgen hun pleidooien. De rechtbank doet eind november uitspraak.