Ook armen hebben recht op democratie

Democratie is een effectief middel om armoede te bestrijden, maar ook een doel op zich. Een stem hebben in het aannemen of ontslaan van je eigen regering is namelijk een mensenrecht, meent minister Van Ardenne.

Arme landen hebben doorgaans geen democratie nodig, maar allereerst een sterke regering die armoede kan bestrijden en veiligheid en elementaire dienstverlening kan bieden, aldus Wei-Wei Zhang (NRC Handelsblad, 3 november). Maar hopelijk zullen Afrikaanse leiders, het afgelopen weekeinde op bezoek in Peking, eenmaal weer thuis deze aanbeveling niet overnemen – er bestaat geen wreed dilemma tussen democratie en ontwikkeling. Integendeel, de feiten wijzen uit dat voor de armen democratie de beste hoop op vrede en welvaart is.

Volgens onderzoek gepubliceerd door de Council on Foreign Relations, presteren democratieën over een breed spectrum van ontwikkelingsindicatoren beter dan dictaturen. Als het op economische groei aankomt, doet een democratie het gemiddeld 30 procent beter. Ook als we alleen lage inkomenslanden bekijken, dan nog is democratie licht in het voordeel.

Het gaat de armen er bovendien niet alleen om hoe snel de groei gaat, maar ook om de stabiliteit ervan. Zij beschikken nauwelijks over reserves om de klap van een economische crisis op te vangen – crises die in arme dictaturen tweemaal zo vaak voorkomen als in arme democratieën. In het Chili van Pinochet, vaak genoemd als economisch succesvolle dictatuur, deden twee economische crises veel van de bereikte groei teniet.

De voorsprong van arme democratieën op arme autocratieën wordt nog duidelijker uit andere indicatoren van menselijke ontwikkeling. Burgers leven tien jaar langer, er sterven twee keer zo weinig kinderen voor hun vijfde levensjaar en de productiviteit van de landbouw, waarin veel armen werkzaam zijn, is een derde hoger.

Deze superieure ontwikkelingsresultaten zijn niet zo vreemd – in een democratie zijn politici vaker geneigd het nationale in plaats van hun eigen belang na te streven. Bij verkiezingen kunnen zij hierop immers worden afgerekend.

De bij een democratie behorende vrije toegang tot informatie en het vrije publieke debat zijn essentieel voor de kwaliteit en de menselijkheid van het overheidsbeleid, voor innovatie en voor het aan de kaak stellen van corruptie. En dankzij democratie kunnen interne en externe conflicten met woorden in plaats van wapens worden uitgevochten. Niet voor niets waren er slechts acht democratieën onder de 49 arme landen, die tijdens de jaren negentig door een burgeroorlog verscheurd werden. Ook voor internationale stabiliteit is meer democratie een zegen: democratieën vallen elkaar zelden aan.

Critici verwijzen vaak naar de enkele mogelijke uitzonderingen hierop, zoals de oorlog tussen Israël en Libanon van afgelopen zomer. Op eenzelfde wijze komen voorstanders van de stelling ‘ontwikkeling eerst, democratie later’ met het voorbeeld van China, een eenpartijstaat met een groeivoet van twee cijfers, of van Singapore, Taiwan of Vietnam. Echter, voor iedere economisch succesvolle dictatuur waren er de afgelopen twee decennia maar liefst zeven mislukte dictaturen, ook te vinden in Oost-Azië – denk aan Noord-Korea of Myanmar (voorheen Birma). Beleid moet niet gebaseerd zijn op de uitzondering, maar op de regel – en in de regel werkt democratie.

Democratie is een effectief middel voor armoedebestrijding, maar eveneens een doel op zich. Een stem hebben in het aannemen of ontslaan van je eigen regering is namelijk een mensenrecht. „De wil van het volk zal de grondslag zijn van het gezag van de Regering”, zo lezen we in artikel 21 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

„Maar kunnen we het typisch westerse fenomeen democratie wel van buitenaf bevorderen?” vragen velen zich af, met de televisiebeelden uit Irak op het netvlies. Zoals de Indiase ontwikkelingseconoom Amartya Sen betoogt, is dit de verkeerde vraag. Democratie is niet per definitie een westers verschijnsel. In bijna alle landen vinden wij tradities van publieke besluitvorming – tradities waarop een land als Nederland met een democratiseringsbeleid kan aanhaken. Een beleid van financiële en materiële steun aan verkiezingen, zoals recentelijk in Congo, of van capaciteitsopbouw van het maatschappelijk middenveld.

Een mooi voorbeeld van democratie van eigen kweek is het dorp waar Nelson Mandela opgroeide – urenlang werd daar op de marktplaats door dorpelingen gediscussieerd over de publieke zaak. Pas tegen zonsondergang nam het dorpshoofd het woord, op zoek naar een consensus.

Vrijwel alle Afrikaanse landen zijn nu formeel democratisch en het aantal met goed bestuur is de laatste jaren verdriedubbeld. Deze opbloei is cruciaal voor een Afrikaanse renaissance. Een renaissance waaraan ook de Chinezen kunnen bijdragen door op verantwoorde wijze te investeren en leningen te verstrekken, en door hun economische expertise te delen (China voerde één van de grootste unilaterale liberaliseringen van de buitenlandse handel ooit door). Hun politieke ideologie, die in het verleden óók de Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolutie voortbracht, is Afrika echter beter kwijt dan rijk.

Agnes van Ardenne-Van der Hoeven (CDA) is minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Dit artikel is gebaseerd op de lezing waarmee zij vorige week de lezingenserie van de ‘Society for International Development’ over democratie en ontwikkeling opende.

Het artikel van Wei-Wei Zhang is na te lezen op www.nrc.nl/opinie