Mao Zetsjing!

Het is maandagnacht en ik ben in een Airbus 330 van Qatar Airways, na twee weken Nepal, op weg naar het vaderland. Man! Wat ga je toch van Nederland houden als je er weg bent. Brood, koffie, de Dienst Gemeentereiniging. Alle oud-Nederlandse muggenzifters, zeurkousen en zwartkijkers verplicht op een kuur van twee weken naar Nepal. Een prachtig land met heel aardige, gastvrije mensen en een overweldigende natuur, zoals dat in reisgidstaal heet. Maar voorbij dat moois begint de relativering, tot de schaamte toe. Die mensen hebben zo weinig. Zo schrijnend weinig, op het niets af. Ze moeten soms vier uur per dag lopen om in de rij te mogen staan voor drinkwater. Ze poepen bijna allemaal ergens in een ongelofelijk goor, stinkend, door strontvliegen omzoomd gat, binnen reukafstand van de keuken. En dan gaan ze met hun hand in een bord met rijst, kip en chilisaus roeren, om vervolgens met een grote haal van hun tong, de oogbollen naar boven gekanteld, het oogwit prachtig afstekend tegen hun diepbruine huid, een hap uit de palm van hun hand te lebberen. Zuurkool met worst, verkeersregels, servetten. Schaatsen, het levenslied, schoolmelk.

Er wonen 25 miljoen mensen in Nepal, het is vier keer zo groot als Nederland en het is een van de armste landen van de wereld, met een gemiddeld inkomen van iets meer dan 200 dollar per jaar. De politiek is door en door corrupt, van de laagste ambtenaar tot het koningshuis. De volksgezondheid wordt geteisterd door malaria, denge, tyfus, cholera en alle nare ziektes die je kunt opnoemen. Ziektes worden daar uitgevonden, in rivieren waar je tussen het vuilnis nauwelijks het water ziet, waar ze tegelijk in kakken, uit drinken, in wassen en hun grootvader op verbranden. In het zuiden gedraagt India zich vervelend en in het noorden China.

En dan hebben ze in Nepal nog de Maoïsten. Vernoemd naar Mao Zedong, die als Grote Roerganger van China in de jaren zestig miljoenen landgenoten afslachtte om zijn Culturele Revolutie te volbrengen en die toch nog volgelingen wist te krijgen, zoals bij ons de SP en in Nepal dus die Maoïsten. Die zijn sinds 1996, toen ze uit het parlement werden gegooid, in oorlog met de staat. Met hun 35.000 soldaten en een veelvoud daarvan aan militieleden vormen ze een staat in een staat en terroriseren ze het hele land. Arm, rijk, bedrijfsleven, overheid, iedereen moet betalen. Ze noemen het ‘tax’ maar het is afpersing. Om de zoveel tijd kom je voor een wegversperring te staan en wordt er door jongens en meisjes met gel in hun haar en glimmende horloges over hun mouwen geld geïncasseerd.

Kassa! Het hele volk buigt voor dit stelletje nepcommunisten. Volkspartij, mijn reet. Het is dat je iedere dag in de Kathmandu Post leest dat het akkoord tussen de alliantie van de zeven grote politieke partijen en de Maoïsten nu echt een dezer dagen gesloten gaat worden, anders zou je denken dat er door de Maoïsten een fluwelen coup wordt gepleegd. Het Nepalese leger steekt geen vinger uit om de bevolking te helpen. Komende vrijdag gaat kameraad Prachanda, de leider van de Maoïsten, in Kathmandu een miljoen volgelingen toespreken. De inwoners van Kathmandu hebben van de Maoïsten te horen gekregen dat ieder huishouden vijf extra mensen onderdak en eten moet geven.

Weigeren is geen optie. Het enige positieve aspect aan deze crisis is dat het in Nepal, in tegenstelling tot alle andere brandhaarden in de wereld, eens niet over religie gaat. Zwemles, hypotheekrenteaftrek, afvalscheiding. Balkenende, bitterballen, de verbaasde frons van mijn jongste zoon als ik hem straks boven mij optil. Mamma, ik ben thuis!