Electorale paradox

Volgens de jongste enqûetecijfers, die van TNS NIPO die RTL4 gisteravond meldde, is Nederland vermoedelijk op weg naar een regeringscoalitie van CDA en PvdA of van PvdA en CDA. Gesteld althans dat de kiezers die twee partijen samen een meerderheid geven, wat nog niet vaststaat. Want de scores van de vier grootste clubs waren gisteravond: CDA 39 zetels, PvdA 35, SP 25, VVD 24. Zeker, het zijn maar min of meer vrijblijvende peilingen, de enige echte en relevante peiling volgt op 22 november, meer dan een derde van de kiezers heeft nog geen voorkeur, welk deel van de kiezers over vijftien dagen thuis blijft, weet nog niemand.

En: we kiezen dadelijk geen nieuw kabinet maar we bepalen de krachtsverhoudingen in de nieuwe Tweede Kamer. Dat is allemaal waar. Maar toch: wie staat er het beste voor, wie wordt de volgende premier, Balkenende of Bos, daarover gaat het in de campagne. En om de punten die zij tegen elkaar maken, punten voor radio en televisie vooral, die op hun gewicht worden gewogen door experts die daarbij gewichtige dingen als hun presentatie en uitstraling ernstig meetellen. Bij zulke taxaties dreigen de toch al niet zo grote inhoudelijke verschillen tussen de partijen en hun lijsttrekkers onderbelicht te blijven, terwijl op zichzelf belangrijke thema’s als het buitenlands beleid of de Europese politiek gemakkelijk sneuvelen omdat zij onvoldoende opportuun of smakelijk worden geacht. De Europese Commissie komt nog deze week met een waarschijnlijk kritisch rapport over kandidaat-EU-lid Turkije, wellicht gaat dat nog iets doen in de campagne.

De eerste van de twee aangegeven coalities komt indien Balkenendes CDA nog wat groeit in de kiezersgunst en op 22 november opnieuw de grootste partij wordt. De tweede wanneer de PvdA van Bos alsnog als eerste eindigt. Buiten de PvdA heeft bijna niemand veel zin in zo’n coalitie, ja zelfs binnen Bos’ partij willen velen liever een geheel linkse regeringscombinatie (PvdA, SP en GroenLinks, die nu echter samen op slechts circa 66 zetels uitkomen).

Er wordt al weken gespeculeerd over een mogelijke rol van de ChristenUnie als partij die straks met haar verhoopte vijf tot zes zetels een centrum-linkse dan wel een centrum-rechtse coalitie aan een meerderheid zou kunnen helpen. Maar de gisteren uitgezonden opiniecijfers laten zien dat een centrum-rechtse of een geheel linkse coalitie zelfs met de ChristenUnie nog niet aan een meerderheid komt.

Meer nog: uitgaande van die cijfers van gisteren zouden CDA en PvdA het samen voor een meerderheid niet zonder de hulp van de ChristenUnie kunnen stellen.

De kiezers zijn op drift, zegt iedereen sinds 1994, toen het CDA en de PvdA alle twee zware klappen kregen in een electorale aardverschuiving. De grootste begunstigden waren destijds de oppositiepartijen D66, dat onder Van Mierlo van 12 naar 24 zetels sprong, en de VVD van Bolkestein, die van 22 naar 31 zetels ging. D66 had zich destijds groot gegeten aan de PvdA en de VVD aan het CDA. Intussen is D66 na elf jaar meeregeren (1994-2002 en 2003-2006) zelf praktisch leeggegeten en dus geen bedreiging meer voor de PvdA, die nu in de SP aan haar linkerzijde een gevaarlijk groeiende concurrent heeft. Zodat Wouter Bos in de campagne scherper naar links moet zeilen, en zetels terugpakken van de SP, om zodoende straks in de formatie weer rechtsaf te kunnen gaan in de richting van het midden, van het CDA dus. Paradoxaal is dat, misschien ook wel misleidend voor sommige kiezers. Maar het is niet anders in zo’n hoogst strategische campagne in het teken van de mannetjesmakerij.

Een troost voor Bos is dat Balkenende en VVD-lijsttrekker Rutte voor een nog groter, bijna onoplosbaar probleem staan. Een probleem dat zij al meer dan 35 jaar kennen, en dat bij het doornemen van de verkiezingsuitslagen sinds 1971 in alle scherpte duidelijk wordt. Namelijk dat voor het CDA en de VVD geldt dat zij in electorale termen elkaars grote concurrent zijn terwijl zij alle twee de PvdA als ‘vijand’ moeten zien. Het soms dramatische kiezersverkeer tussen CDA en VVD is daarbij een constante, de richting ervan is meestal afhankelijk van de vraag wie met welke partners de afgelopen jaren heeft geregeerd.

Samen hebben het CDA en de VVD nooit meer dan 81 zetels gehad, meestal zelfs net iets minder dan 75. Hun onderlinge krachtsverhouding sinds 1971, toen de CDA-voorlopers KVP, ARP en CHU nog bestonden, was: 58-16 (1971), 48-22 (1972), 49-28 (1977), 48-26 (1981), 45-36 (1982), 54-27 (1986), 54-22 (1989), 34-31 (1994), 28-39 (1998), 42-26 (2002) en 44-28 (2003). Daarbij gold bijna steeds dat het CDA kwetsbaar was voor de VVD wanneer het met links had geregeerd. Voor de VVD gold dat zij voor een regeringscoalitie met het CDA na afloop meestal een electorale prijs moest betalen. Het heeft er veel van dat dat ook deze keer zo zal zijn. En mochten Rutte en zijn VVD zich herstellen en zich alsnog tussen Balkenende en Bos kunnen wringen, dan heeft niet Bos maar Balkenende daar vooral last van. En – alweer een paradox – ook de VVD zelf, die immers liefst met het CDA zou doorregeren.

J.M. Bik is medewerker van NRC Handelsblad.