De algenoegzame

De redding van honderd paarden uit het water van de Waddenzee bij Marrum leverde zulke schitterende beelden op dat zij de hele wereld over zijn gegaan. Ik moest denken aan de dichtregels van Herman Gorter: Kom, Vrijheid, met uw paarden die gevoed/ zijn van den bliksem, wervelwind-gedrenkt/ Laat ze nu baden in den stralenvloed...

Maar als je weet hoe de titel van dat gedicht luidt, zit je meteen weer in de blubber van de verkiezingscampagne. Het heet, jawel: De Propaganda.

Nu had het woord propaganda in de tijd van Gorter – het gedicht is uit 1906 – nog niet de negatieve lading van reclame en hersenspoeling die het later heeft gekregen. Het betekende nog zoiets als de verbreiding van het geloof (als in propaganda fide) en verkondigde de Nieuwe Tijd: Uw paarden, Hoop en Jeugd en Strijd en Arbeid,/ o voer ze nu zacht naar den morgenbron, en toon hun in dien spiegel Toekomst...

Niemand zal het in zijn hoofd halen anno 2006 de kiezers op deze verheven toon toe te spreken, en dat is maar goed ook, het zou alleen maar op de lachspieren werken. Wél heeft een tekstschrijver van Balkenende onder diens naam in De Telegraaf een soort prozagedicht afgescheiden onder de titel Trots op Nederland. Hoop, Jeugd, Strijd en Arbeid zijn allang verdrongen, de paarden der propaganda die Balkenende laat galopperen heten Trots, Blijheid, Norm en Waarde.

Het prozagedicht van de CDA-leider telt 53 zinnen die alle 53 beginnen met ‘Ik ben trots op...’ Op alles, op iedereen. Trots op onze ouderen, trots op onze jongeren, trots op onze brede rivieren, trots op onze land- en tuinbouw, trots op werknemers, trots op werkgevers, trots op ons onderwijs, trots op gezinnen, trots op grootouders, trots op Oranje, trots op onze sporters, trots op onze landmacht, onze luchtmacht, onze marine, onze ...

Genade! Hou op!

De algenoegzame Balkenende heeft in vier jaar drie kabinetten geleid. Het eerste was een catastrofe, het tweede een fiasco, het derde had geen recht van bestaan. Er is niet alleen een crisis van het partijenstelsel, niet alleen een kloof tussen burgers en politiek, maar ook en vooral een kloof tussen beleid en beeldvorming.

Hoe kort is de memorie van de CDA-kiezer? Balkenende I was een gekkenhuis bevolkt door kermisklanten. Balkenende II maakte ruzie met de hele samenleving en bracht het omvangrijkste maatschappelijke verzet sinds decennia teweeg. Het kreupelde van malheur naar crisis en verloor onderweg een vice-premier. Balkende III steunde niet langer op een parlementaire meerderheid, maar regeerde vanuit het graf.

In september presenteerde de algenoegzame over dat graf heen de begroting van volgend jaar op een manier alsof hij de Blijde Boodschap verkondigde, een boodschap die zich nog het best laat samenvatten met de titel van Hugo Claus’ toneelstuk: Mama, kijk, zonder handen.

Dat nu was het moment, waarop de leider van de oppositie, Wouter Bos, het primaat van de politiek boven dat van de economie in ere had moeten herstellen. Balkende feliciteerde zichzelf met de stand van de conjunctuur, maar legde geen verantwoording af voor zijn politieke falen en werd daartoe ook niet gedwongen.

Wat Bos zich tijdens de algemene beschouwingen had moeten realiseren, is dat het nog te vroeg was om zich op te stellen als de formateur van een volgend kabinet. Hij sprak als de toekomstige premier van alle Nederlanders en niet als de aanklager van het incompetente en beschamende kabinet. Wat een oppositieleider bij zo’n gelegenheid om te beginnen tegen het volk moet zeggen, is natuurlijk: Throw the rascals out! Gooi de schavuiten naar buiten!

In plaats daarvan kreeg de algenoegzame van Bos enkele weken de tijd om ruim baan te geven aan zijn blijde trots en trotse blijheid (‘Ik ben trots op ons ongeknakte positivisme’). Zo slaagden de doorgewinterde strategen van het CDA erin een welkom tegenwicht te bieden aan algemeen heersende gevoelens van diepe politieke malaise. Het maakt niet uit dat die malaise mede het gevolg is van vier jaar Balkenende, het maakt niet uit dat hij zelf de put heeft gegraven waar hij de kiezers nu uit wil praten: we zijn getuige van een even verbluffend als knap staaltje politiek illusionisme. Je moet het durven, maar het lijkt te werken.

Zo gaat GroenLinks er nu al expliciet van uit dat er een vierde kabinet-Balkenende komt. Femke Halsema en vijftien anderen met een goed inkomen schreven de CDA-leider een brief om aan te dringen op een rechtvaardiger verdeling van de rijkdom. ‘Wij willen best wat afstaan als u het eerlijk verdeelt’, schreven zij. Daarmee wijzen zij Balkenende aan als degene die op dit punt ook na 22 november de dienst zal uitmaken. Uit GroenLinks oogpunt lijkt me dit nogal defaitistisch. Geven zij Bos geen kans meer?

Het staat buiten kijf dat de verkiezingen in Nederland niet uitsluitend een tweestrijd om het premierschap zijn. Zo bezien heeft SP-leider Marijnissen gelijk als hij stelt dat verkiezingen meer zijn dan een banenmarkt voor kandidaat-premiers. Daar volgt echter niet uit dat Balkenende en Bos lood om oud ijzer zijn. De essentie van de democratie ligt toch in het recht van de kiezers om van kabinet te wisselen. De SP veroordeelt een eventuele coalitie van de PvdA met CDA of VVD en daarmee de PvdA tot de oppositie, tenzij er een duurzame afgetekende linkse meerderheid ontstaat.

Die optie is alleen realistisch in een systeem waarbinnen twee stromingen – bijvoorbeeld een progressief en een conservatief blok of twee partijen – elkaar de politieke macht betwisten. D66 heeft veertig jaar voor een dergelijk stelsel gepleit – maar inmiddels ligt niet alleen die partij zelf, maar ook haar gedachtengoed op apegapen – verkwanseld aan de algenoegzame. Die kan nu schieten op open doel: ‘Ik ben trots op een land dat wars is van uitersten.’ De paarden der propaganda draven voort.